Blog Image

Notities van een amateurpianiste

Louise neemt revanche in tienvoud

Notities Posted on 29 Aug, 2020 23:58

Dan staat je symfonie na meer dan anderhalve eeuw ein-de-lijk nog eens op het programma in België en steekt een of ander virus daar een stokje voor. Het overkwam de 19de-eeuwse Franse componiste Louise Farrenc in de lente van het dystopische jaar 2020. Maar zo gemakkelijk liet ze zich deze keer niet doen. Ze neemt revanche, in tienvoud zelfs. Zoveel keer voert Symfonieorkest Vlaanderen in september haar derde symfonie uit. Hieronder het uitgebreide portret dat ik van haar schetste naar aanleiding van de concertreeks en dat intussen verscheen in het Nederlandse muziektijdschrift De Nieuwe Muze.

Louise Farrenc,
uniek als componiste, uniek in Frankrijk

Dit artikel verscheen ook in De Nieuwe Muze. Klik voor de pdf.


Onder leiding van de Estse dirigente Kristiina Poska neemt Symfonieorkest Vlaanderen het initiatief voor een concertreeks die in meerdere opzichten ‘uniek’ genoemd mag worden. Op het programma staat een werk dat anderhalve eeuw geleden al eens in België te horen was, maar daarna nooit meer. Omdat het gecomponeerd werd door een vrouw? Hoe dan ook doet haar naam slechts bij weinigen een belletje rinkelen: Louise Farrenc. Nochtans was deze Franse pianiste, pedagoge en componiste in haar tijd, midden 19de eeuw, vrij gerenommeerd in haar geboortestad Parijs.

Een uniek concert dus, maar ook een unieke componiste. Louise Farrenc (1804-1875) neemt een bijzondere positie in, en dat in meer dan één opzicht: als vrouw in de mannenwereld van de klassieke muziek in de 19de eeuw, maar ook in vergelijking met haar componerende tijdgenotes door haar achtergond, haar opleiding en de muziekgenres waaraan ze zich waagde, én in het Franse muziekleven van haar tijd in het algemeen.

Eerst iets over vrouwelijke componistes in de 19de eeuw. Stilaan beginnen ze wat uit de vergetelheid te geraken. Clara Schumann heeft in 2019 behoorlijk wat aandacht gekregen, dankzij haar 200ste geboortedag. Fanny Mendelssohn horen we tegenwoordig ook al eens wat meer. En verder: Mel Bonis, Nadia en Lili Boulanger. Maar Louise Farrenc?

Een zeldzaam portret van Louise Farrenc.
(Olieverfschilderij door Luigi Rubio, 1835)


Vrouwen hebben zeker altijd gecomponeerd. Dat er zo weinig zijn – althans, we kénnen er weinig – heeft ermee te maken dat ze niet bepaald aangemoedigd werden om zich toe te leggen op een professionele en dus publieke loopbaan in de muziek. Ze waren wel muzikaal actief, maar dan toch vooral privé of in kleine kring. 

Wat de twee bekendsten betreft: Fanny Mendelssohn mocht als kind dan wel een even groot talent tentoonspreiden als haar broer Felix, van haar vader kreeg ze met zoveel woorden te horen dat muziek voor een vrouw alleen maar ‘versiersel’ mocht zijn. Felix deed nauwelijks of geen moeite om haar van het tegendeel te overtuigen. Het wonderkind Clara Wieck werd door haar vader wél heel erg aangemoedigd, maar tijdens haar latere relatie met Robert Schumann kwam zij als componiste toch ook op de tweede plaats. Beide componistes kregen uitsluitend privéonderricht.

Dat is meteen het eerste punt waarop Louise Farrenc zich van haar vrouwelijke collega’s onderscheidt: ze kreeg les van een professor, privé maar mogelijk ook aan het conservatorium. Haar achtergrond is ook helemaal anders dan die van haar Duitse tijdgenotes.

Kunstenaarsfamilie in de Sorbonne

Louise Farrenc, op 31 mei 1804 geboren als Jeanne Louise Dumont, groeide op in een kunstenaarsfamilie met een lange stamboom. Haar moeder kwam uit een schildersfamilie, haar vader en broer, haar grootvader, overgrootvader en betovergrootvader waren allemaal gerenommeerde beeldhouwers en/of schilders, in dienst van koningen en hertogen. In Parijs zijn nog altijd veel werken van hen te bewonderen, in straten en op pleinen en in het Louvre.

In Parijs zijn nog veel werken te bewonderen van Louises familiegenoten.

Achtereenvolgende generaties van de familie Dumont woonden trouwens in een kunstenaarskolonie in dat koninklijk paleis dat het Louvre toen was. Dat privilege was ingesteld door Henri IV, om de kunstenaars te bevrijden uit de greep van de gilden, maar ook wel om ze in het gareel te houden. Toen Lodewijk XIV besliste van het Louvre een museum te maken voor de kunstwerken van zijn veroveringstochten, liet hij de gemeenschap van zo’n 30 families van schilders, graveurs en beeldhouwers verhuizen naar de Sorbonne. Het is daar dat Louise geboren werd. 

Voor haar maakte kunst dus vanaf haar geboorte deel uit van haar leven. Ze groeide op in een verlicht milieu waarin ze haar talenten volop kon en mocht ontwikkelen. Haar ouders, die overigens pas trouwden na de geboorte van hun oudste twee kinderen, gaven zowel hun zoon Auguste als hun twee dochters Louise en Constance een stevige intellectuele bagage mee. Welke opleiding Louise precies gevolgd heeft, is niet duidelijk. Er zijn nauwelijks persoonlijke documenten van haar bewaard en voor informatie over haar kindertijd moeten we voortgaan op de biografie die haar broer wel gegund was. Haar verdere loopbaan geeft hoe dan ook blijk van die stevige basis.

Louise Dumont wordt Louise Farrenc

Haar eerste lessen piano en notenleer kreeg Louise als zesjarig meisje van haar meter Anne-Élisabeth Cécile Soria, die nog les gevolgd had bij Muzio Clementi. Vanaf haar 15de begon Louise ook harmonie en compositie te volgen bij Anton Reicha, een Duitse componist en muziekpedagoog die les gaf aan het conservatorium van Parijs. Pianolessen volgde ze mogelijk ook bij Johann Nepomuk Hummel en Ignaz Moscheles. 

Aristide Farrenc.

Optreden kon Louise in de Sorbonne, als soliste en als begeleidster, met muzikanten van de kolonie en met anderen. Het is wellicht daar dat ze Aristide Farrenc leerde kennen, een fluitist afkomstig uit Marseille met wie ze op 17-jarige leeftijd trouwde.

Aristide Farrenc werd muziekuitgever en zou op die manier ook een belangrijke rol spelen in de carrière van Louise, die zelf heel timide en bescheiden was. Aristide bewonderde haar zeer en zorgde voor de uitgave van 41 van haar 51 opusnummers, niet alleen in Frankrijk, maar ook in Duitsland en Engeland.

Lof van Robert Schumann

Haar eerste werken componeerde ze vooral voor haar eigen instrument, waaronder karakterstukken en veel variaties, zoals Air russe varié (op. 17), waarmee ze als volleerde concertpianiste zeer veel lof oogstte bij muziekcritici. Robert Schumann bijvoorbeeld schreef in zijn Neue Zeitschrift für Musik: ‘Het zijn kleine, pure sterke studies, zo sterk getekend, zo verstandig uitgewerkt, in één woord zo volmaakt dat men er wel van moet houden, des te meer omdat er een zacht-romantisch aroma over hangt.’

Het officiële leerboek aan de conservatoria van Parijs, Brussel en Bologna.

Die positieve kritiek gaf de pianiste ruimere bekendheid. In 1839 verscheen de eerste van haar vier cycli met studies. De bundel 30 études pour piano dans tout les tons majeurs et mineurs (op. 26) werd zo gewaardeerd dat die het officiële leerboek werd aan de conservatoria van Parijs, Brussel en Bologna. Gezien hun moeilijkheidsgraad én melodische karakter (luister bv. naar Études nr. 10) zijn dit niet louter studies, maar echte concertwaardige stukken voor gevorderde pianisten. Louise voerde ze ook zelf geregeld uit.

Kamermuziek en orkestwerk

In de jaren 1840 schreef ze voornamelijk kamermuziek, waaronder trio’s (op. 45), kwintetten, een sextet en zelfs een nonet (op. 38). Ze durfde ook orkestwerk aan. Vanaf haar 30ste schreef ze twee ouvertures en drie symfonieën. En dat is, na haar achtergrond en opleiding, het tweede punt waarop ze zich onderscheidt van de meesten van haar vrouwelijke collega’s. Clara Schumann heeft wel een pianoconcerto geschreven en Fanny Mendelssohn een oratorium, maar de meeste vrouwen componeerden solowerken voor hun eigen instrument (doorgaans de piano), liederen of werken voor kleine ensembles. Dat had veel te maken met praktische overwegingen: je moest middelen en connecties hebben om je werk uitgevoerd te krijgen. 

Louise Farrenc had die, want als een van de allereerste vrouwen kreeg ze in 1842 een aanstelling aan het conservatorium van Parijs, weliswaar voor een klas van uitsluitend meisjes, en vele jaren tegen een lagere verloning dan haar mannelijke collega’s – pas na een zelfverzekerde brief aan de directeur kreeg ze loonsverhoging. Ze zou er 30 jaar les geven, tot haar pensioen in 1872. 

In de schoot van dat Conservatoire national was in 1828 de Société des Concerts opgericht, een orkest samengesteld uit professoren, leerlingen en oud-leerlingen van de school met als doel de Duitse klassiek-romantische traditie, en dan vooral het symfonisch werk van Beethoven, bekend te maken.

Duitsgeoriënteerd en instrumentaal

Daarmee komen we aan het derde element waardoor Farrenc een unieke positie inneemt. Parijs was dan wel dé muziekstad van Europa, je kon er eigenlijk alleen roem verwerven met opera. Frankrijk was in Farrencs tijd helemaal in de ban van de vocale muziek. Sinds de Franse Revolutie componeerde bijna geen enkele Franse componist nog symfonieën, strijkkwartetten of sonates. Afgezien van Hector Berlioz en George Onslow zorgde Louise Farrenc er vrijwel in haar eentje voor dat er toch nog Franse instrumentale muziek gecreëerd werd. 

Daarbij knoopte ze aan bij de traditie van Mendelssohn, Schumann, Liszt en Chopin, uiteraard ook onder invloed van haar Duitse leermeester Anton Reicha en wellicht ook van vriend des huizes Johann Nepomuk Hummel. Louise Farrenc zag het als haar opdracht de klassieke werken in Frankrijk bekend te maken en die stijl voort te ontwikkelen. In de Duits georiënteerde Société des Concerts du Conservatoire kon ze met dat soort werk op grote bijval rekenen. Als een van de weinige Franse componisten genoot ze dan ook de eer haar werk er te kunnen voorstellen.

François-Joseph Fétis, borstbeeld in ‘zijn’ conservatorium in Brussel.

Een van de professoren van het conservatorium van Parijs was de Belgische componist en muziekcriticus François-Joseph Fétis. Later zou hij de eerste directeur worden van het conservatorium van Brussel. Hij was een pleitbezorger van Louises werk en probeerde er ook in zijn geboorteland interesse voor te wekken. Dankzij hem beleefde haar eerste symfonie in Brussel zelfs haar première, nog voor ze werd uitgevoerd in Parijs. ‘Deze symfonie is een hoogst merkwaardig werk’, schreef Fétis erover, ‘en de componiste verdient de aandacht van het publiek – een componiste die nog onvoldoende bekend is en onvoldoende gepromoot wordt.’

Ook haar derde symfonie op. 36, de meest geliefde van de drie en degene die het Symfonieorkest Vlaanderen zal uitvoeren, haalde hij naar Brussel. Het is een door Beethoven en Mendelssohn beïnvloed werk, waarin Farrenc toch ook sterke eigen accenten heeft gelegd. Deze symfonie werd herhaaldelijk uitgevoerd: behalve in Parijs en Brussel ook in Genève. 

‘Geen musicus die zich de symfonie niet herinnert, een sterk en moedig werk, waarin de glans van de melodieën wedijvert met de verscheidenheid van de harmonie’, schreef een recensent drie jaar later nog in La France musicale.  

Veelgeprezen, toch vergeten

Louise en Aristide kregen één dochter, Victorine, eveneens een talentvolle pianiste en componiste. Ze overleed echter op 19-jarige leeftijd aan tuberculose. Na haar dood componeerde Louise geen noot meer. 

Le trésor des pianistes, anthologie in 23 delen van de 16de tot de 19de eeuw.

Voortaan legde ze zich, samen met haar man, toe op de uitgave van Le trésor des pianistes, een uitzonderlijke anthologie in niet minder dan 23 delen van pianomuziek van de 16de tot de 19de eeuw. Na de dood van haar man zette Louise het werk alleen voort.

Louise Farrenc werd bij leven en welzijn gevierd en geprezen. De Académie des Beaux Arts kende haar twee keer de Prix Chartier toe. Toch werd ze na haar dood in 1875 – op 71-jarige leeftijd – snel vergeten. Misschien had dat ermee te maken dat ze, anders dan bijvoorbeeld Fanny Mendelssohn en Clara Schumann, geen nakomelingen had die haar nalatenschap in ere konden houden. Haar voorliefde voor de Duitse stijl zal ook niet geholpen hebben, zeker niet na de Frans-Duitse oorlog en de oprichting van de Société nationale de musique in 1871, die er onder impuls van Camille Saint-Saëns alles aan deed om een nationale Franse stijl te ontwikkelen. 

Fétis schreef over Farrenc: ‘Het genre van de grootschalige instrumentale muziek waartoe madame Farrenc zich door haar natuur en opleiding geroepen voelde, vereist middelen die een componist slechts verwerven kan met enorme inspanningen. Een andere rol speelt het publiek, dat in de regel niet uit kenners bestaat, en dat bij het beoordelen van kwaliteit enkel kijkt naar de naam van de componist. Als die niet bekend is, staat het publiek niet open voor het werk. De uitgevers, vooral die in Frankrijk, sluiten hoe dan ook hun oren, zelfs als het werk degelijk is. Dat waren de obstakels waarmee madame Farrenc geconfronteerd werd en die haar tot wanhoop gedreven hebben. Dat is de reden waarom haar werk vandaag vergeten is, terwijl het haar in een andere tijd grote waardering bezorgd zou hebben.’

Laten we hopen dat die tijd er nu wél is. In mijn boek Vrouw aan de piano (2018) kon ik niet anders dan betreuren dat het (orkest)werk van Louise Farrenc nooit nog uitgevoerd wordt. Ik ben zeer blij dat Symfonieorkest Vlaanderen mij nu tegenspreekt.

_______________________

Ter aankondiging van de concertreeks van Symfonieorkest Vlaanderen werd ik in februari 2020 geïnterviewd voor dit filmpje. Raadpleeg de agenda van de concerten in Concertgebouw Brugge, de Bijloke in Gent en deSingel in Antwerpen. Klara zendt het concert van 4 september rechtstreeks uit om 20 uur.



Nog maar eens wachten voor Louise Farrenc

Notities Posted on 10 May, 2020 17:48

Op zondag 10 mei zou Symfonieorkest Vlaanderen onder leiding van de Estse dirigente Kristiina Polska in deSingel de derde symfonie van de Franse componiste Louise Farrenc (1804-1875) uitvoeren. Dat zou een uniek concert geweest zijn, vooral wanneer je beseft dat het meer dan anderhalve eeuw geleden is dat die symfonie nog eens te horen was in België. Ik keek er erg naar uit, temeer omdat ik voorafgaand in een lezing voor het Davidsfonds uitgebreid had mogen vertellen over deze virtuoze pianiste, pedagoge én vrij gerenommeerde componiste in haar geboortestad Parijs. Het heeft voor Louise andermaal niet mogen zijn.

Laten we hopen dat ze volgend seizoen een nieuwe kans krijgt. Op de website van Symfonieorkest Vlaanderen staat ze nu geprogrammeerd voor 1 september in Concertgebouw Brugge en 13 september in deSingel in Antwerpen. Afwachten in deze onzekere tijden…

Een zeldzaam portret van de Parijse pianiste, pedagoge en componiste Louise Farrenc. (Olieverf, Luigi Rubio)

Vandaag luister ik dan maar naar een opname, zoals deze bijvoorbeeld door het Ensemble of the Royal College of Music uit Stockholm onder leiding van de Belgische dirigente Katleen Weverbergh. Die derde beweging (19:42), zo heerlijk zwierig en opzwepend! Je wordt er op slag weer goedgezind van.

En aan mijn piano studeer ik voort de tiende van haar 30 Etudes pour piano dans tout les tons majeure et mineurs in, destijds zo gewaardeerd dat die bundel het officiële leerboek was aan de conservatoria van Parijs, Brussel en Bologna.

Meer weten over deze in menig opzicht uitzonderlijke vrouw? Dan beveel ik graag De Nieuwe Muze aan, een erg lezenswaardig muziektijdschrift waarin in een volgend nummer mijn artikel over haar verschijnt. Met nog meer info dan wat ik al vertelde in het hoofdstuk Oktober van Vrouw aan de piano.



‘Een ‘mannelijk’ instrument kiezen is heel dapper’

Notities Posted on 15 Feb, 2020 18:26

Contrabassiste Eline Cote concerteert met vrouwenorkest Virago

Een orkest met alleen maar vrouwen, een vrouwelijke dirigente, op het programma uitsluitend werken van vrouwelijke componistes. En dat allemaal in de Koningin Elisabethzaal op de internationale vrouwendag. Wie heeft dat voor elkaar gekregen? Maak kennis met de jonge contrabassiste Eline Cote. Met The Virago Symhonic Ochestra maakt ze niet alleen een droom waar, ze heeft ook een duidelijke boodschap: gender is niet bepalend wanneer het aankomt op talent. ‘Als je het niet eens bent met gendergelijkheid, dan ben je simpelweg een seksist.’

Eline Cote (1997) wist al heel vroeg dat haar toekomst in de muziek lag. Ze was het soort kind dat op haar vierde al met een potlood in haar handje mee stond te dirigeren wanneer ze op televisie een concert zag. Haar ouders begonnen snel pogingen te ondernemen om haar in te schrijven voor muziekles, maar ze moest tot haar zevende wachten voor ze binnen mocht op de muziekacademie van Merksem, in haar eigen straat. ‘Bij een voorstelling van alle instrumenten vond ik, die zelf heel klein was en nog steeds ben, de contrabas ontzettend cool. Ik kon in de klas van Lode Leire beginnen met een 1/8 contrabas, het kleinste model. In het middelbaar heb ik nog wel even de richting Latijn gevolgd, maar ik wist dat muziek mijn passie was. Van De! Kunsthumaniora ging het naar het conservatorium van Antwerpen.’

Het instrument groeide met haar mee, van 1/8 over 1/4 naar 3/4. In haar eerste jaar aan het conservatorium stelde ze echter vast dat ze het met haar 1 meter 50 fysiek veel zwaarder bleef hebben dan haar medestudenten. Ze kreeg rug- en schouderpijn. De tussenmaat 5/8 bood een oplossing voor haar fysieke klachten, maar Eline was niet tevreden over de klank van dat instrument voor een orkest. 

Eline Cote: ‘Ik en mijn instrument, wij zijn gewoon dezelfde.’

Overtuigd van haar definitieve toekomst trok ze vorig jaar naar Pöllmann, befaamd contrabasbouwer in Mittenwald bij Innsbruck. Vier instrumenten had Michael Krahmer (vierde generatie Pöllmann) voor haar klaargezet, maar nog steeds voldeed gene enkel aan haar wensen. ‘‘‘Wacht even’’, zei hij toen, ‘‘ik heb nog wel één bijzonder instrument.’’ Daarop haalde hij een contrabas tevoorschijn waar hij tien jaar aan gerestaureerd had. Niemand had geloofd dat hij met de vele puzzelstukjes die hij daarvan binnengekregen had opnieuw een goed instrument kon maken. Maar het was hem gelukt. Daarom beschouwde hij dat instrument als zijn baby die hij niet graag afstond. Vanaf het eerste moment dat ik die bas aanraakte, voelde ik het: dit was het. ‘‘The double-bass sounds so good in your hands’’, vond ook Michael. Ik ben zo blij dat ik nu, dankzij een flinke sponsoring, op dat instrument kan spelen. Zo’n warme klank voor zo’n klein instrument: ik en mijn instrument, wij zijn gewoon dezelfde.’ 

HeForShe

Op zondag 8 maart, op internationale vrouwendag, zal Eline met haar contrabas en ‘haar’ vrouwenorkest Virago te horen zijn in de Koningin Elisabethzaal in Antwerpen. Het wordt de bekroning van een groots opgezet project waaraan ze flink anderhalf jaar geleden begon. Het past in haar masterproef waarmee ze afstudeert aan het conservatorium. ‘De meeste studenten leggen zich daarvoor toe op een bepaald muziekstuk dat ze tot in de puntjes analyseren. Daar had ik geen zin in. Ik wilde iets doen met vrouwen in de muziek.’ 

‘Daar was ik al mee bezig in De! Kunsthumaniora. In het laatste jaar koos ik daar voor een spreekbeurt voor de les Engels geen voor de hand liggend onderwerp als WWF of een andere bekende liefdadigheidsorganisatie, maar voor HeForShe (een solidariteitscampagne van de VN die onder het ambassadeurschap van actrice Emma Watson mannen en jongens betrekt bij het bereiken van meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen, vj). Dat heeft me echt de ogen geopend. Ik ben er ook bewust op beginnen te letten: er zitten nog altijd niet zo veel vrouwen in orkesten en we kennen nauwelijks vrouwelijke componistes. Voor mijn instrument had ik welgeteld één rolmodel: Chi-chi Nwanoku (de Nigeriaans-Ierse contrabassiste die met haar Chineke! Orchestra meer diversiteit wil brengen in de overwegend witte klassiekemuziekwereld, vj).’

Het Chineke! Orchestra o.l.v. contrabassiste Chi-Chi Nwanoku. © Eric Richmond

A celebration of women in music

‘Op mijn 17de dacht ik al: hoe supercool zou een orkest met alleen maar vrouwen zijn? Met superveel vrouwen op een groot podium: a celebration of women in music! (Met haar Amerikaanse roots kruidt Eline haar woorden graag met wat Engels, vj.) Ik vond het zelf irrealistisch, maar dat idee is in mijn achterhoofd blijven spelen. In gesprekken stelde ik immers vast dat er in de klassieke muziek nog altijd behoorlijk wat seksisme heerst. Er is inderdaad al veel veranderd, we zijn op de goede weg. Maar anno 2020 zou het probleem toch gewoon niet meer mogen bestaan? Hoe vreemd is het dat we bepaalde opmerkingen in de les of in een orkest nog steeds aanvaarden? Er zijn zelfs nog altijd mensen die vinden dat een vrouw geen orkest kan leiden omdat muzikanten dan afgeleid kunnen zijn. Hoe absurd is dat!’

‘Toen ik vernam dat voor de masterproef aan het conservatorium de mogelijkheid bestaat iets te doen onder de noemer ‘creatief project’, trok ik met mijn idee naar Yves Senden. Hoewel hij als promotor dergelijke projecten doorgaans afraadt omdat ze zo zwaar zijn, heb ik hem in een halfuur superenthousiast gekregen. ‘‘Jij gaat dat kunnen’’, zei hij. Ik droomde niet alleen van een vrouwenorkest, mijn bedoeling was ook met een enquête het seksisme bloot te leggen.’

Nooit erkenning gekregen

Voor ze aan haar ‘veldonderzoek’ begon, verdiepte Eline zich in de literatuur over vrouwelijke componistes – over uitvoersters vond ze weinig bronnen. ‘Ik vond het zo leuk om hun verhalen te lezen. In bepaalde componistes vond ik mezelf terug. Toen ik hun muziek opzocht op YouTube of Spotify, kon ik gewoon niet begrijpen waarom je ze nooit hoort. Dat heeft natuurlijk te maken met de geschiedenis van de mensheid, waarbij vrouwen altijd een ondergeschikte rol hebben gekregen. Mijn belangrijkste conclusie van mijn literatuuronderzoek: ze waren allemaal op zoek naar de erkenning die ze nooit gekregen hebben. Want eigenlijk doet gender er niet toe. Iedereen is individueel in haar of zijn talent. Het is dus onrechtvaardig om ze niet aan te werven omdat ze vrouw zijn. Je kan ook niet beweren dat vrouwen minder goed waren of zijn. Ook in de enquête die ik vervolgens gedaan heb, kwam dat heel duidelijk naar voren: nog steeds vinden vrouwen dat ze minstens dubbel zo hard moeten werken als hun mannelijke collega’s om nog maar ‘toegang tot de race te krijgen’, om het met Chi-Chi Nwanoku te zeggen.’

It’s a men’s world

Op de enquête voor haar masterproef, die de titel The Challenges of Professional Female Musicians in the Western World meekreeg, ontving Eline Cote niet minder dan 250 (anonieme) reacties, fifty-fifty van vrouwen en mannen, zowel conservatoriumstudenten als docenten, zowel amateurs als professionals, ook uit het buitenland. Ze trok ook naar Londen en Berkeley University in Californië voor lange interviews met beroepsmuzikantes of sprak met hen via Skype. Telkens weer, ook van mannen, kreeg ze te horen hoe fantastisch en nodig haar project was. Tot dan bleken ze er nooit echt bij stilgestaan te hebben, maar nu zag iedereen het: it’s a men’s world.

‘Je moet eerst erkennen dat er een probleem is vooraleer je het kan oplossen. Na mijn enquête gaf een contrabassist toe dat zijn vrouwelijke collega’s niet dezelfde kansen kregen hoewel ze even goed waren. Sommige mannen zagen in dat ze bijvoorbeeld tegen vrouwen in de les of in een orkest dingen gezegd hadden die seksistisch waren. Bij de koperblazers, de meest male dominated group, gaven vrouwen toe dat ze zich vaak oncomfortabel voelden. Maar ook bij de altviolistes waren er vrouwen die dolgraag wilden meedoen met het vrouwenorkest om eindelijk eens niet in de minderheid te zijn. Vrouwen vertelden me ook hoe ze zich hadden moeten aanpassen. Een afgestudeerde van Berkeley had van haar – vrouwelijke – docente te horen gekregen dat ze zich anders moest kleden om er composerly uit te zien. Die boodschap had die docente wellicht doorgegeven omdat ook zij zich had moeten aanpassen.’

Toch niet beter piccolo?

Zelf krijgt Eline ook nog altijd opmerkingen, vaak als grap bedoeld, maar lachen kan ze er eigenlijk niet meer mee en reageren doet ze nog zelden. ‘Altijd maar weer vragen ze of ik, met mijn kleine gestalte, niet beter piccolo had gekozen. Vaak komen die reacties van niet-muzikanten. Maar ook met een collega in een orkest heb ik het meegemaakt. Tot hij me had horen spelen – toen is hij zich komen verontschuldigen.’

Eline is er vast van overtuigd dat meisjes ook nu nog afgeremd worden bij de keuze van hun instrument. Terwijl het vrouwen tot de 19de eeuw nog vlakaf verboden was om ‘onwelvoeglijke’ instrumenten als viool, cello of fluit te studeren, werkt die stereotypering van instrumenten volgens Eline nog altijd door. ‘Hoeveel ouders zullen hun dochtertje nog laten verstaan: ‘‘Trompet, vind je dat niet meer iets voor jongens?’’ Want een blaasinstrument is voor jongens, een harp voor meisjes.’ 

Een blaasinstrument niet voor meisjes?

Over blazers gesproken. Toen Eline begon aan de samenstelling van haar vrouwenorkest, had ze de grootste moeite om aan het vereiste aantal hoorns, trompetten, fagotten, contrafagotten, klarinetten, trombones en tuba’s te geraken. Alleen voor dwarsfluit had ze meteen genoeg kandidates. Voor de strijkers had ze wel een ruim aanbod aan violistes. Samen met de piano en de gitaar behoort de viool dan ook tot de meest gekozen instrumenten in de muziekacademies, ook onder jongens.

Heldhaftige vrouw

The Virago Symphonic Orchestra telt nu zo’n 90 leden, én er staan nog vrouwen op de ‘wachtlijst’. Altijd goed om onvermijdelijk verloop op te vangen: onder muzikanten gebeurt het wel vaker dat iemand moet afhaken wegens een blessure bijvoorbeeld.

Voor de naam van haar orkest zocht Eline naar een ‘heldhaftige vrouw’. Virago klonk haar perfect in de oren. Volgens sommige bijbelvertalingen zou dat de eerste naam zijn die Adam gaf aan zijn vrouw, vooraleer ze na de zondeval herdoopt werd tot Eva. Pejoratief gebruikt is Virago een ‘manwijf’. Van Dale ziet in Virago een ‘manhaftige, forse, krachtige vrouw’, maar ook een ‘helleveeg’. ‘Sommigen vinden vrouwen die een ‘‘mannelijk’’ instrument kiezen, inderdaad manwijven’, beseft Eline. ‘Ik vind hen vooral dappere vrouwen.’ 

Dirigente Pascale Van Os.

In haar celebration of women wilde Eline geen enkele muzikante uitsluiten. Met Virago krijg je daarom een ‘totaalpakket’ aan vrouwen: niet alleen de uitvoersters, maar ook de dirigente is met Pascale Van Os een vrouw en de werken op het concertprogramma zijn allemaal gecomponeerd door vrouwen: Augusta Holmès, Fanny Mendelssohn, Marlies Hollevoet, Amy Beach, Marga Richter, Mary Jane Leach, Vigdis Hansa Elst, Cécile Chaminade en Ethel Smyth. Hun verhalen worden tussendoor kort gebracht door drie actrices. Er doen op 8 maart ten slotte ook enkele danseressen mee.

Onderneemster, activiste, feministe

Blijft het bij een eenmalig project? ‘Zeker en vast niet’, zegt Eline. ‘We hebben al twee uitnodigingen voor festivals gekregen. Samen met mijn mama, vriend en beste vriendin heb ik ook een vzw opgericht, waarmee we seksisme in de kunstwereld blijvend op de kaart willen zetten. Ook na het concert wil ik mee blijven nadenken hoe het beter kan, onder meer in orkesten maar ook daarbuiten. In mei ben ik in Barcelona op uitnodiging van de Boston Consulting Group keynote speaker op een event dat jonge ondernemende vrouwen met elkaar in contact wil brengen. Ja, ik voel me momenteel soms meer een onderneemster dan een muzikante.’

En een activiste, zo noemt ze zichzelf intussen ook. Én zonder enig voorbehoud een feministe. ‘In mijn verhandeling sta ik ook stil bij de definitie van feminisme. Voor mij is dat: streven naar gendergelijkheid. Als je het daar niet mee eens bent, dan ben je simpelweg een seksist.’ 

Wanneer zal je tevreden zijn, vraag ik Eline aan het einde van onze lange babbel, die meer een monoloog was – zóveel had ze te vertellen. ‘Als het concert gedaan is’, zucht ze. Nog drie weken te gaan en ze zal volhouden, heel gefocust. Maar ze geeft toe dat ze moe is. ‘Het is behoorlijk stresserend, ja. Er komt ontzettend veel bij kijken. Elke dag komt er wel iets bij waaraan ik in het begin niet gedacht had. En eigenlijk doe ik alles alleen: mails van mijn orkestleden beantwoorden, met sponsors bellen, de marketing doen, overleggen met de Koningin Elisabethzaal, de crowdfunding opvolgen, enzovoort. Daarnaast moet ik natuurlijk ook nog repeteren voor het concert, les volgen en eind juni mijn eindexamens afleggen. Nee, die ga ik niet uitstellen. Daar ben ik te perfectionistisch voor.’

Maar fundamenteel: tevreden zal ze vooral zijn als ze echt iets in beweging heeft kunnen zetten. ‘Als ik op 8 maart zelfs maar één iemand in het publiek van gedacht heb kunnen veranderen, zal ik al content zijn. Dat die heeft ingezien dat er een probleem is met seksisme in de muziekwereld en dat het anders moet en kan.’

Foto’s: Ingeborg Selleslags

• ‘Virago: a benefit for women by women’ vindt plaats op zondag 8 maart om 20 uur in de Koningin Elisabethzaal in Antwerpen. De opbrengst van de tickets schenkt Eline Cote aan HeForShe.

• Nog tot 26 februari loopt een crowdfundingcampagne waarmee ze de huur van de Koningin Elisabethzaal en alle bijkomende kosten hoopt te kunnen dekken. 

• Naar gelang van het geschonken bedrag maken sponsors kans op iets extra’s, zoals een speciaal ontworpen tas of het bijwonen van een voorafgaand rondetafelgesprek. Deelneemsters daaraan zijn onder meer Eline Cote, Pascale Van Os (dirigente), Eline De Munck (zangeres), Maria Peters (regisseuse van ‘De dirigent’), Chi-chi Nwanoku (Chineke! Orchestra) en Veerle Janssens (schrijfster van ‘Vrouw aan de piano’).



Natuurlijk wint Clara de Klara Top 100 niet (bis)

Notities Posted on 16 Nov, 2019 16:49

Klara heeft het me wel erg gemakkelijk gemaakt. Ik kan gewoon mijn opiniebijdrage van vorig jaar over de Klara top 100 opnieuw delen.

En nee, daar ben ik absoluut niet blij om. Ontgoocheling, moedeloos, kwade wil, kaakslag: dat zijn de woorden die in me opkomen bij het uitvlooien van de ‘preselectie’ voor de top 100 van volgend weekend.  
Jazeker, er is één (1!) vrouwelijke componiste bij gekomen: Caterina Assandra. Met dank overigens, want deze componerende Italiaanse non kende zelfs ik nog niet… Maar er zijn ook nog 13 werken van mannen toegevoegd. Op een totaal van 327 werken (tegenover 314 vorig jaar) betekent dat nog steeds een schamele 1,27 procent. Geen Fanny Mendelssohn, geen Rebecca Clarck, geen Cécile Chaminade, geen Mel Bonis, geen Nadia of Lili Boulanger, geen Annelies Van Parys, geen geen geen. Geloof me vrij, die hebben echt wel stukken gecomponeerd geschreven die beter zijn dan bepaalde werken die wél geselecteerd zijn. 

Nochtans had ik goede hoop: het viel het afgelopen jaar echt op hoezeer sommige programmatoren hun best deden al eens vaker werk van een vrouw te laten horen – vooral Clara Schuman uiteraard, met dank aan haar jubileumjaar. En daar gaat het natuurlijk om: dat ze gewoon te horen zijn, zonder dat er extra aandacht op gevestigd moet worden. Maar waarom is dat niet doorgetrokken naar de top 100? Beste top-initiatiefnemers (top?) van Klara, herlees alstublieft mijn opinie van vorig jaar. (En kom niet af met het argument dat luisteraars ook zelf suggesties mogen doen.) 

Pareltjes in Aartselaar
Ontgoocheld en boos dus, ik zou er bijna de handdoek bij in de ring gooien. Maar niet dus. Wie wel enkele pareltjes van vrouwelijke componistes wil horen, is op woensdag 20 november van harte welkom in het CC ‘t Aambeeld in Aartselaar, waar ik tijdens mijn lezing voor het Davidsfonds ook zelf achter de piano kruip. Alle info hier.



Met Clara in feestend Leipzig

Notities Posted on 08 Sep, 2019 14:53

De 200ste geboortedag van Clara Schumann, vrijdag 13 september, is een geschenk. Eindelijk krijgt deze pianiste en componiste de volle aandacht die ze verdient. Het gerespecteerde Schumann-Verein bijvoorbeeld windt er geen doekjes om: in het heringerichte Schumann-Haus in Leipzig krijgen Robert en Clara voor het eerst evenveel aandacht. Ook in het Mendelssohn-Haus laten ze intussen recht geschieden: Felix’ oudere zus Fanny heeft er een hele verdieping gekregen. Een hoopvol verslag uit de muziekstad bij uitstek en nog wat andere Duitse steden die de jarige letterlijk en figuurlijk in de bloemetjes zetten.

In Leipzig kan je dit jaar niet aan Clara voorbij.

Nogal wat Duitse steden zijn dit jaar in een muzikale feeststemming. In de eerste plaats Leipzig, de stad waar wonderkind Clara Wieck exact 200 jaar geleden het levenslicht zag en waar ze de eerste 25 jaar van haar leven doorbracht onder de hoede van haar strenge vader, de muziekpedagoog Friedrich Wieck, en aan de zijde van haar negen jaar oudere man, de componist Robert Schumann. Niet minder dan 60 cultuurinstellingen in de stad hebben een jaarprogramma met meer dan 200 evenementen samengesteld. 

Het hoogtepunt vormt de Festwoche die donderdag 12 september van start gaat met de uitvoering van Clara’s pianoconcerto in het Gewandhaus. Daar speelde ze zelf in 1835 op haar 16de de première onder leiding van Felix Mendelssohn. 12 september is ook de huwelijksdag van Clara en Robert. Op 12 september 1840, een dag voor Clara’s 21ste verjaardag, konden ze elkaar na een felle gerechtelijke strijd tegen vader Wieck eindelijk het ja-woord geven. Vrijdag 13 september barst dan in de Inselstrasse, waar het jonge kunstenaarskoppel vier jaar gewoond heeft, een meerdaags straatfeest los. Het Schumann-Haus in de Inselstrasse heropent zaterdag. Ook de ernaast gelegen Clara Schumann-basisschool neemt deel aan de festiviteiten.

Eine gleichberechtigte Darstellung

Van mijn eerste bezoek aan het Schumann-Haus, negen jaar geleden, herinner ik me onder meer het huwelijksdagboek dat Clara en Robert er hebben volgepend. Je zag er toen ook al een paspop met een concertjurk van Clara. Om maar te zeggen dat ze niet geheel afwezig was. Ik kocht in de bescheiden museumshop trouwens een boekje over de twee musici, het eerste van vele waarmee ik me in haar leven begon te verdiepen. Maar de focus lag toch overduidelijk op Robert. Daar komt nu dus, volkomen terecht, verandering in, vertelden me Gregor Nowak van het Schumann Verein Leipzig en Franziska Franke-Kern, persverantwoordelijke van het feestjaar Clara19, tijdens mijn (werf)bezoek. Eine gleichberechtigte Darstellung – zeg maar: een gelijkwaardige voorstelling – von Clara und Robert: die woorden zijn het meest blijven hangen. 

De nieuwe opstelling zal de verschillende rollen belichten die deze opmerkelijke vrouw in de muziekgeschiedenis gespeeld heeft: als pianiste, concertmanager, componiste, muziekuitgeefster, pedagoge, muze en nog zoveel meer. In een van de heringerichte kamers van wat ‘misschien wel het modernste museum van Duitsland’ belooft te worden, zullen Clara’s concertreizen – met de (post)koets tot in Kopenhagen, Sint-Petersburg en Moskou – rijkelijk geïllustreerd worden. Alleen al in deze Reiseraum wordt duidelijk wie van hen beiden destijds met veruit de meeste aandacht ging lopen. 

De reizen waren overigens aanleiding tot conflict tussen de echtelieden. Had het van Robert afgehangen, dan was zijn jonge bruid Klärchen na een carrière als wonderkind en Königliche-Kaiserliche Kammervirtuosin huisvrouw geworden. Eventueel mocht ze nog wel in privékring pianospelen en componeren, maar ze zou toch vooral hém als scheppend kunstenaar moeten laten voorgaan. Voortdurend geldgebrek bleek Clara’s redding: wat zij op de Bühne kon verdienen, was nu eenmaal noodzakelijk om een gezin met acht kinderen draaiende te houden. Alleen al met de inkomsten uit haar concerten in Rusland hadden ze in Leipzig nog 18 jaar huur kunnen betalen. Robert profiteerde overigens ook nog op een andere manier van Clara’s volharding: zij zorgde ervoor dat zijn composities bekend werden.

Een moderne vrouw

Clara wist goed wat ze wilde: een leven voor de muziek. Zowel dankzij als ondanks haar tirannieke vader had ze geleerd voor zichzelf op te komen. Ze wist wat ze waard was en bleef daarvoor gaan, tot op haar oude dag. In die zin kan je haar een ‘geëmancipeerde vrouw’ noemen. Al kan je erover redetwisten of een dergelijk anachronisme gepast is, Eine moderne Frau im Frankfurt des 19. Jahrhundert lijkt me dan ook een goedgekozen titel voor die andere tentoonstelling die ik bezocht in Frankfurt am Main. 

In die stad heeft Clara op haar 59ste voor het eerst een vaste aanstelling aanvaard, als erste Klavierlehrerin aan het pas opgerichte Hoch’s Konservatorium. Ze onderhandelde goed over de voorwaarden. Met uitzondering van Clara wenste de directeur geen vrouwen aan te werven: ‘Mme Schumann kann ich eben wohl als Mann rechnen’, antwoordde hij aan een solliciterende vrouw. Clara’s dochters Marie, Elise en Eugenie, die haar assisteerden bij het lesgeven, vergat hij dan ook maar even.

Toen Clara in Frankfurt ging wonen, stond ze er als weduwe al jaren alleen voor. Robert overleed in 1856 in een krankzinnigengesticht. Een zoontje was nog voor zijn tweede verjaardag overleden, ook twee andere zonen en een dochter zouden haar ontvallen. Haar vierde, aan reuma lijdende zoon belandde morfineverslaafd in een instelling, waarna Clara ook nog eens de hoede over zijn zes kinderen op zich nam. Je vraagt je af hoe ze het allemaal klaar bleef spelen, zelfs al kreeg ze hulp van haar drie overlevende dochters en van dienstmeiden.

Bach op het programma

Terug naar Leipzig, want daar lopen momenteel nog meer boeiende tentoonstellingen. Het Bach-Museum naast de Thomaskirche presenteert de kleine Sonderausstellung Anna Magdalena Bach – Fanny Hensel – Clara Schumann – Drei Künstlerinnen im Blick. Alledrie hadden ze iets met de grote Bach. De eerste uiteraard als vrouw van, zonder wie hij nooit die productiviteit aan de dag had kunnen leggen. Als eveneens muzikaal erg begaafde vrouw was Anna Magdalena onder meer Bachs kopiiste. Fanny Hensel (geboren Mendelssohn) en Clara Schumann bestudeerden zijn werk met het oog op hun eigen composities en waren als uitvoersters grote pleitbezorgsters van de door Felix Mendelssohn herontdekte grote meester.

Op hetzelfde concert in het Gewandhaus waarop de 16-jarige Clara in 1835 haar eigen concerto creëerde, klonk voor het eerst ook Bachs concerto voor drie piano’s BWV 1063, met naast Clara ook Felix Mendelssohn en ene Louis Rakemann aan de toetsen. Bij de talloze concerten die volgden, zou Clara Bach nog vaak op het programma zetten.

De Stein-vleugel waarop Clara als negenjarige leeftijd debuteerde in het Gewandhaus in Leipzig, staat in het Robert Schumann-Haus in Zwickau.

Een tentoonstelling over die concerten en concertreizen in het Robert Schumann-Haus in Zwickau, de geboortestad van Robert, is inmiddels afgelopen. Dat museum bewaart meer dan 1.300 programma’s van (openbare) concerten. In de vaste collectie kan je onder meer de Stein-vleugel bewonderen waarop Clara als negenjarige debuteerde in het Gewandhaus in Leipzig.

Voor een andere tentoonstelling over Clara’s concerten kan je nog tot eind september terecht in Bonn. De bijbehorende 400 pagina’s tellende catalogus On tour – Clara Schumann als Konzertvirtuosin auf den Bühnen Europas is indrukwekkend.

Die alleinreisende Pianistin

Na de dood van Robert stond Clara bekend als ‘die alleinreisende Pianistin’. Niet alleen met haar solorecitals baarde ze opzien. Ook met haar repertoire was ze vernieuwend en ‘trendsettend’. Zij was het die de standaard zette voor het pianorecital zoals we dat nog steeds kennen. Hoe virtuoos haar spel ook was, ze liet alle bravoure achterwege in de keuze en de uitvoering van werken van Beethoven (de Waldsteinsonate!), Chopin, Brahms, Mendelssohn en natuurlijk ook Robert Schumann. Kunst werd in haar handen heilig, de uitvoerster trad terug achter de componist. 

Fanny, die erste Pianistin

Of achter de componiste. Want ook liederen van de door haar zeer gewaardeerde Fanny Mendelssohn kregen een plaats in het repertoire van Clara. Door het onderzoek voor mijn boek wist ik al dat de twee vrouwen elkaar goed gekend hadden. Toch was ik verrukt door de aandacht die ook Fanny nu mag genieten. Net zoals in het Schumann-Haus was in het Mendelssohn-Haus in Leipzig negen jaar geleden nauwelijks iets te vinden over de vrouwelijke naamdrager. ‘Waar is Fanny?’, kregen ze in het Mendelssohn-Haus vaak te horen, vertelde een suppooste me. Onder de slagzin … Und wo ist Fanny? heeft Felix’ oudere zus sinds twee jaar nu een hele verdieping voor zichzelf gekregen.

Eigenlijk had Fanny, zoals ik schreef in Vrouw aan de piano, een museum verdiend in haar thuisstad in Berlijn. Maar op de plaats waar ze in het Gartenhaus de druk bijgewoonde Sonntagsmusiken organiseerde, staat tegenwoordig de Bondsdag. En de tentoonstelling in de Mendelssohn-Remise in de Jägerstrasse besteedt vooral aandacht aan de bankiersfamilie. In Leipzig hebben ze er daarom niet beter op gevonden dan dat feeërieke Gartenhaus met zijn muziekkamer te evoceren in het Mendelssohn-Haus. Heel geslaagd! Leidraad voor de tentoonstelling is Fanny’s bundel Das Jahr, met voor elke maand een pianowerk, mooi geïllustreerd met ‘vignetten’ van haar man, de hofschilder Wilhelm Hensel. Wees maar zeker dat ik in dit mooie kader minutenlang met koptelefoon op heb staan luisteren, in het bijzonder naar September, dat momenteel ook op mijn piano staat.

Clara Schumann noemde Fanny, die van haar vader en broer het verbod gekregen had om van de muziek haar beroep te maken, ‘die erste Pianistin’. Tekenend voor de achting die Clara voor haar 14 jaar oudere collega voelde, was dat ze haar heerlijke pianotrio opus 17 aan haar opdroeg. In 1847 verwachtte Clara het werk elk moment van de drukker, toen ze het bericht kreeg dat Fanny tijdens een zondagsmatinee geveld was door een beroerte. Het onverwachte overlijden van Fanny – enkele maanden later gevolgd door dat van Felix – betekende een zware klap voor de Schumanns.

Over de intense samenwerking tussen Clara en dirigent-pianist-componist Felix loopt in het Gartenhaus van het Mendelssohn-Haus in Leipzig nog tot eind september de tijdelijke tentoonstelling Clara & Felix.

Notenspur

Alle muziekplekken in Leipzig – en dat zijn er nog veel meer dan die paar die ik hier heb opgesomd – zijn met elkaar verbonden door een Notenspur. Met een kaart in de hand en een blik op het voetpad volg je een traject van zo’n 5 kilometer door het stadscentrum. Het leidt je bijvoorbeeld ook langs de Nikolaischule, waar in de kelder een permanente tentoonstelling te zien is over geboren Leipziger Richard Wagner. Of je loopt langs een gedenkplaats voor Edvard Grieg, ‘kotstudent’ bij een van de vele muziekuitgevers die de stad in de 19de eeuw rijk was, zoals C.F. Peters, Hofmeister en Breitkopf & Härtel. Met die laatste hield ook Clara intensief contact, onder meer voor de uitgave van het verzameld werk van Robert. 

Clara zag nauwgezet toe op de drukproeven. ‘Bitte recht genau nachsehen’, schreef ze op de partituur van Roberts Fantasiestücke die ik te zien krijg tijdens een rondleiding in het Sächsische Staatsarchiv. Dat bewaart niet alleen het archief van Breitkopf & Härtel, maar ook de processtukken van de rechtszaak van Robert en Clara tegen Friedrich Wieck. 

Bloemen voor Robert

Breitkopf & Härtel viert dit jaar overigens ook een jubileum. De muziekuitgeverij werd 300 jaar geleden opgericht en is daarmee wellicht de oudste ter wereld. Ter gelegenheid van het eigen en Clara’s feestjaar brengt Breitkopf & Härtel een wel erg bijzonder boek uit: een facsimile van een bloemendagboek van Clara. In de jaren dat Robert verpleegd werd in een instelling, verzamelde Clara op elke gedenkwaardige plek waar ze kwam bloemen die ze in een soort herbarium stak. De bedoeling was het te schenken aan Robert wanneer hij genezen zou zijn. Hij heeft het nooit gezien.

Omdat de veelzijdige Clara dus ook iets met bloemen had – tijdens concerten droeg ze vaak een kransje in haar haar – is voor dit feestjaar ten slotte een zakje bloemenzaad uitgebracht. Leipzigers kunnen met de origineelste aanplantingen een prijs winnen.

Je kan in Leipzig dezer dagen dus niet aan Clara voorbij. Overal zie je de affiches. Zelfs via de kassabon van een supermarktketen word je uitgenodigd aan de festiviteiten deel te nemen. Een bakker herdoopte het traditionele Leipziger Lerche-gebakje tot Clärchen, als zoete hommage aan de componiste. Het Clara-jaar doet Leipzigers eens te meer beseffen in wat voor een prachtige muziekstad ze leven, zei Gregor Nowak van het Schumann Verein me. Het is ook nog op een andere manier een geschenk. De aandacht die Clara – en Fanny – nu krijgen, kan een katalysator zijn voor de studie naar nog meer vrouwelijk talent. Want de overtuiging dat vrouwen nooit tot muzikaal hoogwaardige prestaties in staat waren, mag nu wel definitief naar het rijk der leugens verwezen worden.

Ik moet terug

Tot slot: Leipzig heeft nog veel meer te bieden. Genoeg van muziek? Dan is er nog het Museum für Druckkunst. De tentoonstelling over het drukken van partituren is intussen afgelopen, maar er is nog wel een tijdelijke over 100 jaar Bauhaus, nóg een jubileum dus. Het stedelijk museum in het Alte Rathaus schetst de veelzijdige geschiedenis van de Messestadt, waarbij niet voorbijgegaan wordt aan de nazitijd en de moeilijke jaren onder DDR-bewind. In het Museum in der Runden Ecke gruwel je over de Stasi-praktijken. In de Nicolaikirche herdenkt een kleine, pretentieloze tentoonstelling 30 jaar Wende. Ook het Museum der bildenden Künste buigt zich tot begin november onder de noemer Point of No Return over de Wende und Umbruch der ostdeutschen Kunst. Buiten de stad kan je je vergapen aan het kolossale Völkerslachtdenkmal

Eén ding weet ik zeker: ik móét terug naar Leipzig. Alvast naar het heringerichte Schumann-Haus om die gleichberechtigte Darstellung von Clara und Schumann te zien. Om de gipsafdruk van haar uitzonderlijk grote hand te zien. En om te doen alsof ik met haar hand pianospeel, want ook dat zou in dit multimediale museum mogelijk zijn. Benieuwd hoeveel boeken en cd’ ik dan nog uit de museumshop zal meenemen om toe te voegen aan de stapel die ik in augustus al verzameld heb. Het Mendelssohn-Haus heeft me alvast beloofd Vrouw aan de piano op te nemen in zijn bibliotheek.

Op vrijdag 13 september vertel ik meer over de jarige Clara Schumann in ‘Maestro’, van 14 tot 16 uur op Klara.
Deze uitzending is intussen hier integraal te herbeluisteren.



Moeder en dochter aan de joik

Notities Posted on 07 Aug, 2019 15:21

In mijn vorige notitie vertelde ik over de ‘Joiks’ of de ‘Lappländische Weisen’ van de Estse componiste Ester Mägi. Ik zou tijdens onze zomervakantie in Lapland naar de bron van deze etnische muziek gaan. Ik kwam terug met andere joiks, oude en nieuwe, gezongen door een moeder en een dochter op de verrassend hip klinkende cd Ođđa Áigodat (New Times). Dit debuut van de groep Solju werd onlangs verdiend bekroond met de Canadese award voor ‘Best International Indigenous Release’.


Welke cd met joiks ze me kon aanraden, vroeg ik de medewerkster van het SIIDA, het cultuurcentrum van de Sami in Inari, in het hoge noorden van Finland. De museumshop presenteerde een vrij uitgebreide collectie cd’s met joiks, de traditionele muziek van de Sami en een van de oudste muziekvormen in Europa. Oude en nieuwe joiks, maar geen enkele titel of uitvoerder zei me iets. Probeer een mix van oud en nieuw, suggereerde de jonge vrouw me. En ze liet me net voor sluitingstijd snel wat tracks van haar persoonlijke favoriet beluisteren: Ođđa Áigodat. Het klonk me allemaal als… hm … Chinees in de oren. Maar dat achter de bandnaam Solju – vernoemd naar de traditionele broche van Sami-vrouwen – een moeder en een dochter schuil bleken te gaan, was de ultieme verleidingstruc om me tot kopen aan te zetten.

De cd-speler in de auto maakte ons meteen enthousiast. Oneindig veel enthousiaster dan over de cd die ik gekocht had in Ainola, het heerlijke buitenhuis niet ver van Helsinki van die andere, veel bekendere Fin Jean Sibelius. Zijn eigen composities konden ons in deze uitvoering van zijn kleindochter Satu Jalas, nochtans ter plekke gespeeld op zijn eigen instrumenten, helaas niet bekoren. 

Ođđa Áigodat zetten we tijdens onze lange autoreis meerdere keren op, waarbij de cd-speler telkens ongevraagd in herhaling ging en we voor de rest van de dag met de openingstrack in ons hoofd zaten.

Solju, de titel van het debuutalbum, verwijst naar de traditionele broche van Sami-vrouwen.

Oud en nieuw verzoend

De zangeressen Ulla Pirttijärvi en dochter Hildá Länsman slagen erin oud en nieuw, traditie en moderniteit op een verbluffende manier te verzoenen. Ze kregen daarbij de assistentie van Samuli Laiho (o.m. synthesizer en piano) en Teho Majamäki (o.m. percussie). Nog bijzonder aan deze cd is de inbreng van het Tsjechisch Nationaal Symfonieorkest. De traditionele muziek krijgt daardoor nog een extra, ‘klassieke’ toets. 

Het cd-boekje biedt gelukkig vertalingen van het Sami. In de titelsong Ođđa Áigodat – New Times luidt het, erg treffend:

We still hear the yoik
we stil hear the herd
how much longer
before they disappear

Ođđa Áigodat, met het fijne, wat obstinate arrangement van het Tsjechisch orkest, is sinds zeer kort te beluisteren via YouTube. Ook een aantal andere songs van de cd vind je daar, al dan niet in live-uitvoering, zoals:
de echte traditional Áimejoga Jovnna, over een man die met zijn boot vaart over het meer dicht bij Angeli, het geboortedorp van Ulla Pirttijärvi op de Zweeds-Finse grens,
het bezwerende Ealloravddas – By the Reindeer Herd,
het andere rendierlied Heargevuoddji – Reindeer Driver,
het swingende Muhtumin – Some Day,
het dromerigere Suoivaniid eatnamii – To the land of shadows,
en Áille Luohti – Wolf Joik, waarin je Ulla Pirttijärvi en Hildá Länsman kan horen ‘joiken’ als wolven (in de tweede helft).

Titelsong Ođđa Áigodat en Heargevuoddji waren voor het eerst te horen op 6 februari, de nationale feestdag van de Sami die gevierd wordt in Finland, Zweden, Noorwegen en Rusland, de vier landen waar vandaag zo’n 130.000 Sami wonen. Kort na de release in april werd het hele debuutalbum bekroond met de Canadese award voor ‘Best International Indigenous Release 2019’.

Misschien een tip voor miXmass, het avontuurlijke en nog te weinig bekende muziekfestival van Pieter Theuns en zijn compagnons van B.O.X., begin januari in deSingel?

Ulla Pirttijärvi en Hilda Länsman bij hun deelname aan de Finse preselecties voor Eurosong in 2015.

Eurosong

Volledigheidshalve dit nog. Googelend kwam ik erop uit dat Solju in 2015 deelgenomen heeft aan de Finse preselecties voor het Eurovisiesongfestival. In een blog legden Hilda Länsman (1994) en Ulla Pirttijärvi (1971) uit waarom: ‘We want to encourage people to be who they truly are.’

Met hun song Hold Your Colours wilden de Sami-vrouwen vertellen dat ‘je trots mag zijn op je cultuur’. ‘We want to encourage people to be who they truly are and let it shine. We get a lot of pressure from surroundings to blend in. Let’s hold on to our colours and diversity. The world and people are beautiful with their differences.’

Een jurylid noemde hun song de ‘verborgen schat’ onder de bijdragen aan de wedstrijd. ‘I’m loving the Sami inspired ethnic singing in the song,’ verklaarde een ander, er echter aan toe voegend: ‘would have been amazing to hear some ethnic Sami sounds as well.’ 

Dat is nu net wat ze doen op Ođđa Áigodat. Ik denk dat wij – en zij – blij mogen zijn dat ze in de Eurosong-selectie gestrand zijn op de vierde plaats en dat ze het commerciële pad van afgelikte songs van dertien in een dozijn niet verder in geslagen zijn. Op Ođđa Áigodat klinken ze zoveel meer ‘who they truly are’, zoveel authentieker.

Info
Website van Solju
• Bekijk ook een interview met moeder en dochter. 



Naar mägisch Lapland met Ester Mägi

Notities Posted on 31 May, 2019 00:05

Onze zomervakantie krijgt stilaan vorm. Dirk en ik trekken in juli naar Lapland. Fins, Zweeds en Noors Lapland, met als ultieme bestemming de Noordkaap. Maar eigenlijk vertoef ik al bijna een jaar in Lapse sferen, meer bepaald aan mijn piano. Sinds de vorige zomervakantie neemt Ester Mägi me geregeld mee naar het hoge Noorden met haar Lappländische Weisen. Over deze Estse componiste wil ik het in deze blog dan ook graag hebben, ook al omdat ik dit werk zondag speel op een leerlingenconcert van de Helistudio in de Theatergarage.

Wie de eerste was die me op het spoor gebracht heeft van de – laten we eerlijk zijn – hier totaal onbekende Ester Mägi, weet ik niet meer zo goed. Was het Heli Jakobson, mijn van geboorte Estse pianolerares? Of was het Jan Brokken, met zijn schitterende boek Baltische zielen, dat ons vorig jaar door Estland-Letland-Litouwen gegidst heeft?

Brokken vernoemt Ester Mägi zeer kort in zijn hoofdstuk over de intussen wél erg bekende en bejubelde Arvo Pärt, waarbij ook hij toegeeft dat hij nog nooit van haar gehoord had. Hij verhaalt over een kerstconcert dat hij bijwoont in de muziekschool van Rakvere, het stadje waar Arvo Pärt opgroeide. Het is een mooi concert met liederen van Brahms en Mahler, schrijft hij,

(…) maar ik veer pas op als de taal Ests wordt en ik het onstuimige, soms gesproken en dan weer gezongen Kolm setu muinasjutulaulu van Ester Mägi hoor.
‘Een jonge componist’, vraag ik [directrice, vj] Rita Mets na afloop.
‘Niet zo jong meer.’
Haar pretoogjes doen me vermoeden dat ik een blunder bega. Later op de avond hoor ik dat Ester Mägi in 1922 geboren is, nog leeft en over enkele weken [in 2010] haar achtentachtigste verjaardag hoopt te vieren. Ze heeft magistrale koorwerken op haar naam staan, zo wordt me door verschillende muziekleraren verzekerd, en sfeervolle miniaturen voor piano die geïnspireerd zijn door Laplandse melodieën.

Gesloten wegens schoolvakantie

Die sfeervolle miniaturen, dat zijn dus inderdaad die Lappländische Weisen die nu op mijn piano staan. Ik tikte de partituur vorige zomer eerder toevallig op de kop in de muziekwinkel van de Estse hoofdstad Tallinn, waar Jan Brokken me naartoe geleid had. Met een flinke omweg weliswaar, want de ‘ouderwetse winkel bij de stadspoort aan de Nunne’ waar hij over schrijft, bleek intussen verhuisd naar de benedenverdieping van de Estse Academie voor Muziek en Theater (Eesti Muusika- ja Teatriakadeemia, het voegere conservatorium), een eind weg van het toeristische stadscentrum. Daar aangekomen stelden we bovendien vast dat de zaak gesloten was wegens schoolvakantie. Maar de deur stond op een kier en de eigenaar, misschien onder de indruk van mijn beteuterde gezicht, liet ons binnen.

Niet wetende wat ik precies zocht, bladerde ik snel door de bakken bladmuziek voor piano. Op een spiekbriefje had ik drie namen genoteerd: Arvo Pärt, zijn leraar Heino Eller en Ester Mägi. Van alle drie vond ik een partituur waarvan ik hoopte dat ik er iets mee kon. En o ja, Dmitri Sjostakovitsj kon ik uiteraard ook niet laten liggen. Later stelde ik trouwens vast dat Ester Mägi aan het conservatorium van Moskou gestudeerd had bij Vissarion Sjebalin, een leerling van Sjostakovitsj. Een mooi samenhangend kwartet dus. Via Messenger verzekerde Heli Jakobson me dat ik een heel goeie keuze gemaakt had.

In de schaduw

Wie is de op 10 januari 1922 geboren Ester Mägi? Schaars is de informatie die ik terugvind over deze ‘eerste Estse componiste’. In The Norton Grove Dictionary of Women Composers, hét naslagwerk van vrouwelijke componistes, krijgt ze geen aandacht. Toch is ze in Estland wel degelijk een grote naam, verzekert Heli me. Al is ze ook daar altijd in de schaduw gebleven van Arvo Pärt (1935) en Erkki-Sven Tüür (1959), twee gangmakers van de hedendaagse Estse klassieke muziek. Omdat ze vrouw is?

Ester Mägi studeert aanvankelijk piano, maar vanaf 1946 legt ze zich aan het conservatorium van Tallinn toe op compositie. Haar leraar is Mart Saar (1882-1963), stichter van de nationale school voor Estse muziek. In zijn spoor trekt Ester Mägi het land in om zijn verzameling Estse volksliederen aan te vullen. Vermoedelijk krijgt ze daarbij steun van de Sovjet-autoriteiten. Die vinden het belangrijk dat de bevolking haar culturele achtergrond in ere houdt – althans voor zover dat hun eigen belangen niet schaadt.

In 1951 zet ze haar studies voort aan het conservatorium van Moskou. Haar leraar Vissarion Sjebalin voelt zich eveneens aangetrokken tot de volksmuziek. De overheidsinstanties vinden haar composities, met name die voor koor, echter te complex (‘formalistisch’) om goedgekeurd te worden. De cantate Kalevipoja teekond Soome (Kalevipoegs reis naar Finland) waar ze in 1954 mee afstudeert, gaat pas in 1961 in Estland in première, onder leiding van dirigent Neeme Järvi.

Dertig jaar lang, tot 1984, doceert ze muziektheorie aan het conservatorium van Tallinn. Ze valt herhaaldelijk in de prijzen en in 1999 krijgt ze een eredoctoraat van de Estse Academie voor Muziek.

Zingende revolutie

Ester Mägi heeft composities voor diverse bezettingen op haar naam staan: een vioolconcerto (1958), een (erg Sjostakoviaans klinkende) symfonie (1968), Bukoolika of Bucolische fantasie voor orkest (1983), een concerto voor orgel en cembalo (1980), twee strijkkwartetten (1964 en 1965), het bijwijlen melancholische en liefelijke Cantus voor cello en gitaar (1987), een saxofoonkwartet (1994) en nog veel meer kamermuziek. Voor piano componeert ze onder meer een sonate (1949), een trio (1950) en een concerto (1953). Erg geliefd voor dit instrument is volgens Heli, naast de Lappländische Weisen (1987), ook Vana Kannel of Alten Kannel (1985). Een kannel is een traditioneel getokkeld snaarinstrument uit de citerfamilie. Hierin komt eens te meer tot uiting hoezeer ze inspiratie zoekt in de folklore.

Volksmelodieën liggen ook vaak aan de basis van haar liederen en koorwerken. En ook daar heeft ze er veel van. Niet zo verwonderlijk in een land met een enorme koortraditie. Tekenend daarvoor is hoe de Esten nog voor de val van de Muur al zingend hun onafhankelijkheid hebben afgedwongen. Het hoogtepunt van de ‘Zingende revolutie’ was de 600 km lange mensenketting van Tallinn over de Letse hoofdstad Riga tot Vilnius in Litouwen, waaraan op 23 augustus 1989 zo’n 2 miljoen mensen deelnamen.

Juoigos, joiud, joik?

Met de Lappländische Weisen für Klavier verlaten we de Baltische staten en trekken we nog veel noordelijker. Samen met Heli Jakobson heb ik het afgelopen jaar dit voor klassiek geschoolde musici toch wat mysterieuze werk proberen te doorgronden. En dat begon met … het ontcijferen van de titel, waar ik aan mijn computer enige tijd zoet mee was. In de Duitse uitgave van de partituur staan er niet minder dan drie:
Lappländische Weisen für Klavier
Lappische Juoigos-Melodien
Lapimaa joiud

Lapimaa is Ests voor Lapland – dat is duidelijk. Heli bevestigde dat joiud een soort volksliederen zijn. Wanneer ik meer probeerde te weten te komen, gaf Google echter niet thuis. De anders alwetende zoekmachine en haar broertje Google Translate blijken jouid niet te kennen, net zo min als Juoigios uit de tweede Duitstalige titel. Tijdens de pianoles bij Heli had ik gelukkig ook het enkelvoud genoteerd: joik. De Engelstalige titel luidt overigens:
Lapland Joiks

Daarover wisten Wikipedia en een academische studie over de Sámi Joik – Music and Imagination in Arctic Norway me te vertellen dat joik een van de oudste muziekvormen in Europa is. Het is de traditionele muziek van de Sami, die ook een plaats had in hun religie. Wellicht is dat de reden waarom ze door de christenen verboden werd. In de jaren 1950 was het zingen van de joik ook op de scholen in Noorwegen verboden.

Vandaag wordt joik weer gebruikt in Samische kerkdiensten, al blijft er toch nog discussie over. Zo boog een parochieraad in Kautokeino (een plaatsje in Noord-Noordwegen dat op onze reisplanning staat) zich anno 2014 nog over de vraag of ze de muziek wel konden toelaten in de kerk.

Joik blijkt voorts een werkwoord te zijn. Tot slot: ‘Een joik gaat over de essentie van hetgeen dat of degene die bezongen wordt. Een joik wordt niet óver iets of iemand gezongen, maar een joik wordt naar iemand of iets toe gezongen.’

Vergeet wat je geleerd hebt

Ik heb niet kunnen achterhalen of Ester Mägi ooit in Lapland geweest is. Haar joiks dateren van 1987, vóór de val van de Muur dus. En in hoeverre de Lapse volksliederen in Esters joiks ook echt herkenbaar zijn voor de Sami, kan ik uiteraard al helemaal niet beoordelen. Overigens gaat de componiste volgens het boekje bij de cd Ester Mägi – Ein musikalisches Porträt doorgaans op een vrije manier om met haar bronnenmateriaal. Ze wil het karakter en het wezen van de volksmelodieën bewaren, maar doet dat op een heel persoonlijke manier. Ze toont vooral ‘de warmte en de breekbaarheid’ ervan. Haar werken getuigen volgens de auteur soms van een nostalgie naar de cultuur van de voorvaderen, maar ze voorkomt dat het pathetisch wordt.

In ieder geval heb ik even mijn weg moeten zoeken toen ik via YouTube het werk de eerste keer beluisterde. De partituur bleek niet onoverkomelijk moeilijk, maar de taal was me toch wat vreemd. Heli bleek een uitstekende gids in deze magische-Mägische muziekwereld.

‘Vergeet wat je geleerd hebt in de klassieke muziek’, was een van de eerste adviezen die ze me gaf. In het eerste deeltje moest ze me erop wijzen dat het geen maatstrepen telt. ‘Dit is geen Mozart of Beethoven, begin dus niet te helder en concreet. Laat het meer Scandinavisch zijn: mist, eenzaamheid, regendruppels. Wandel met het stuk, van rustteken tot rustteken. Je ademhaling leidt je vanzelf naar het juiste tempo.’

Over het tweede en het derde deel zei ze me dat ik vooral niet mooi moest willen spelen. ‘Het moet karakter hebben. Speel de fortes met volle overtuiging. Creëer klank-blokken, met lange pedalen die de klank nog verlengen. En zorg voor diepe contrasten, in trappen. Hou van de sprongen die je moet maken, leef ernaartoe. Vergeet Czerny en ga voor klank. Denk aan Prokofiev en Bartók. Of zelfs The Elephant Man: lelijk, maar op het einde vind je de lelijkheid mooi.’

Niet dat deel twee en drie echt ‘lelijk’ zouden zijn, integendeel zelfs. Maar misschien wel hard, luid en scherp. Dat wordt dan weer helemaal goed gemaakt door de diepe warmte van deel zes, dat ook refereert aan het begin. Deel vier en vijf sla ik voorlopig over, en zeven en acht laat ik ook nog voor wat ze zijn.


Eén, twee, drie en zes vormen intussen voor mij een mooi geheel waarin ik me steeds meer thuis voel. Ik droom weg naar eenzame maar groene landschappen, waar je de wind hoort fluiten, de lucht zwanger is van regen, maar toch ook de zon steevast door de wolken breekt. En waar plots een kudde rendieren opduikt of een eland op de weg staat. Of wie weet: een beer.

Nog een flinke maand en we zijn in Sami-land.


Achtergrondinfo

  • Lapland Joiks is terug te vinden op de verzamel-cd Estnische Klaviermusik (Eres, 1994), gespeeld door Peep Lassmann, destijds ook de eerste uitvoerder van het werk.
  • Het zesde deel van Lapland Joiks staat ook op de cd bij het boek Baltische zielen van Jan Brokken (Atlas Contact, 2017), in een uitvoering van Marcel Worms. Ook te beluisteren via YouTube.
  • Een bloemlezing van werk van Ester Mägi biedt de cd Ester Mägi – Ein musikalisches Porträt (Antes, 1998) bij het Estonian Music Information Center.
  • Het leerlingenconcert van de Helistudio, waarop ik vier delen van de Lappländische Weisen speel, vindt plaats op zondag 2 juni om 19 uur in de Theatergarage, Bouwhandelstraat 72 in Borgerhout.



Heli, of een Ests verhaal van liefde voor de piano

Notities Posted on 13 Mar, 2019 00:41

Sinds enige maanden volg ik, naast de muziekacademie, ook les bij een privéleerkracht. Bij wie anders kan je beter een werk van een Estse componiste instuderen dan bij een Estse pianiste? Over die componiste, Ester Mägi, later meer. Eerst laat ik Heli Jakobson aan het woord, opgegroeid en opgeleid in Estland, en via de Griegakademiet in Noorwegen in Antwerpen beland. Vol passie getuigt ze van haar liefde voor de piano. Een liefde die ze wil delen met haar leerlingen in haar eigen Helistudio in Borgerhout, waar de tijd anders loopt dan daarbuiten. ‘Muziek is tijd, muziek is vrijheid, muziek maakt je een beter mens.’


Waarom wil je piano spelen? Wat is jouw pianoverhaal? Wat is jouw droom? Het zijn vragen die Heli Jakobson haar pianoleerlingen aan het begin van het schooljaar graag stelt. ‘Soms krijg ik als antwoord: snel en virtuoos kunnen spelen. Dat is nooit mijn doel geweest. Als ik naar de Koningin Elisabethwedstrijd kijk, dan kan ik me erover verbazen tot wat een mens in staat is. Maar niet de wedstrijden die je wint of het aantal uren dat je oefent, zijn voor mij belangrijk. Liefde voor muziek is iets heel anders. Met muziek ontwikkel je je als mens. Je doet het niet om de beste te zijn, maar om een goed mens te zijn. Ik geloof echt dat muziek je een mens beter maakt.’

‘Als pianoleerkracht wil ik doorgeven dat muziek een plaats is waar je rust vindt. Wanneer je speelt, verloopt de tijd helemaal anders dan om je heen. Je wil je vrij voelen met je instrument. Ik was zo blij toen een jonge leerling van me, Rocco, precies dat antwoordde op mijn vraag waarom hij piano wilde spelen: ‘Muziek is vrijheid’, zei hij. Wat heb ik jou nog te leren, vroeg ik me af.’

Strenge sovjet-traditie
Met haar achtergrond zou je nochtans een ander idee van musiceren kunnen verwachten. Als Estse, geboren in 1978, vóór de val van de Muur dus, werd Heli opgeleid in de strenge sovjet-traditie. ‘Het leerplan aan de muziekacademie verschilde niet zo veel van dat in Vlaanderen, maar er lag wel meer nadruk op techniek. In de Russische pianomethode werd – en wordt – veel aandacht besteed aan toonladders, waaraan zelfs aparte lessen en examen worden besteed.’

Al vrij jong nam Heli deel aan wedstrijden. Verplicht, geenszins uit vrije wil. ‘Toen ik als klein meisje ooit een nummertje moest trekken voor de volgorde in een wedstrijd, stond ik alleen al daardoor letterlijk in het zweet. Ik kon die druk niet aan, het was een hel. Mijn moeder, die huisdokter was, heeft me toen zelfs een kalmeerpil gegeven. Een roze, ik herinner me het nog goed. Dan vraag je je toch af of wedstrijden de juiste weg zijn. Je kweekt er wel virtuoze pianokids mee, maar wat doet het met hen als mens? Voor sommige leerlingen kan een wedstrijd een traumatisch ervaring zijn.’

‘Ikzelf speelde piano uit liefde voor de muziek, niet om een wedstrijd te winnen. Jaar na jaar heb ik in Estland ervaren dat ik buiten de pianoles veel minder goed presteerde. Ik had podiumangst, die ik pas tijdens mijn studiejaren in Noorwegen heb leren te overwinnen.’

Geobsedeerd door klanken
Na de kunsthumaniora in de muziekschool Heino Eller in Tartu, de tweede grootste stad van Estland, verhuisde ze voor zes jaar naar Bergen, waar ze les ging volgen aan de Griegakademiet. Ze noemt het nu haar belangrijkste jaren. ‘Ik volgde samen met een Noors en een Litouws meisje les bij de Tsjech Jiří Hlinka (1944). Het niveau was superhoog. Hij brak je eerst af, om je dan te kunnen opbouwen. Na mijn eerste concert met orkest, dat eigenlijk heel goed ging, reageerde hij: ‘Denk je nu echt dat je piano kunt spelen?’’

‘Bovendien oordeelde Hlinka dat vrouwen niet zomaar de ambitie moesten hebben om piano te willen spelen. Meisjes kunnen dan wel heel goede studentes zijn, het zijn toch de jongens die carrière maken. Misschien maakte hij voor mij een uitzondering omdat ik uit de harde Sovjet-traditie kwam. Daardoor was ik in zijn ogen hard genoeg.’

‘Hoe dan ook heeft Jiří Hlinka mij veel doen bereiken. Hij heeft mij bewust gemaakt van mijn grote pluspunten, niet alleen van mijn zwaktes. Het glas was niet meer bijna leeg, maar half vol. Ondanks zijn harde aanpak vonden wij elkaar in onze grote liefde voor de muziek. Hij was geobsedeerd door handen en klanken. Mijn naam betekent in het Ests overigens: ‘klank’.’

‘Hlinka voelde ook goed aan welke stukken voor jou werken. Toen ik in Noorwegen het podium op moest, was dat daardoor niet meer met angst, maar met passie voor het stuk. Met het juiste stuk sta je op het podium in je eigen kracht. De techniek, waarvoor je achter de schermen keihard gewerkt hebt, komt dan vanzelf mee. Je staat er om wat je bent en kan, niet om de beste te zijn. Ik heb toen met succes meegedaan aan twee wedstrijden voor solisten. Na drie jaar studeren met Jiří Hlinka soleerde ik met het filharmonisch orkest van Bergen in de Grieghallen en met het symfonieorkest van Stavanger in Stavanger Konserthuset.’

Te veel vragen in Antwerpen
Na Bergen volgde Antwerpen, waar Heli aan het conservatorium haar meestergraad behaalde. ‘Ik kijk nu op die tijd terug met gemengde gevoelens. Die jaren aan het conservatorium van Antwerpen hebben mij een goede spiegel voorgehouden van wat ik goed kon en wat ik nog miste. In de vakken pedagogie had ik vaak de neiging meer vragen te stellen dan wat verwacht werd. Omdat ik al ervaring had met lesgeven – in Bergen gaf ik les aan zeer getalenteerde kinderen, onder wie een 15-jarige jongen die een concerto van Brahms speelde – was mijn stage goed. Maar het examen voor het vak pedagogie was schriftelijk, terwijl mijn Nederlands toen nog niet zo goed was. Ik vroeg of ik het mondeling mocht afleggen. Mijn docent antwoordde dat ik een academische opleiding volgde en dus ook moest kunnen schrijven. Ik heb hem geantwoord dat pedagogie volgens mij een mondelinge discipline is.’

Muziek is tijd
Die ervaring is volgens Heli een van de redenen waarom ze geen les wil geven in een academie en verkiest privéles te geven in haar eigen studio. De belangrijkste tekortkoming van het muziekonderwijs in Vlaanderen vindt ze echter de lestijd die je er krijgt – of vooral níét krijgt. ‘De academies hier volgen nog steeds hetzelfde lesplan als dat van mij destijds in Estland. Ze willen de traditie van de klassieke muziek doorgeven. En dat is heel goed, want de liefde voor klassiek mag zeker niet uitsterven. Maar ik kreeg voor dat lesplan in Estland wel twee keer driekwartier pianoles per week, en in het dagonderwijs twee keer driekwartier muziekgeschiedenis en zang. Wij luisterden naar stukken en zongen veel. Pure klankbeleving, superbelangrijk. In Estland vindt trouwens nog altijd om de vier jaar een zangfestival plaats, waaraan alle scholen meedoen.’

‘Hoe kan je echter, zoals de muziekacademies hier proberen te doen, klassieke muziek overbrengen in een les van een half uur of zelfs minder? Dat werkt toch niet? Noch voor de leerling, noch voor de leerkracht. Daarom hebben privéleerkrachten nu ook zo veel werk. Uiteraard kan ook een academieleerkracht een goede leerkracht zijn, maar dan wel buiten de academie, niet binnen het systeem.’

‘Leerlingen hebben meer tijd nodig. Want muziek ís tijd. Ook het leerproces vergt enorm veel tijd en geduld. Elke les heeft een ander tempo. De geduldsgrens van moderne kids ligt nu veel lager, hun concentratietijd is veel korter. Je moet ze dus naar een moment proberen te brengen dat ze aanvaarden dat het even kan duren voor ze iets bereiken.’

Van Einaudi naar Bach
Daarom legt Heli jonge kinderen niet meteen klassieke werken voor. ‘Ik begin met speelse, leuke stukken. Voor kinderen is het immers belangrijk dat ze voelen dat het vooruitgaat. Tijdens de les studeer ik samen met hen. Als ze naar huis gaan, hebben ze al een stukje klaar en kunnen ze thuis verder oefenen.’

Ook een componist als de Italiaan Ludovico Einaudi passeert wel eens. ‘Zijn populariteit toont aan dat mensen van nu nood hebben aan eenvoudige dingen. Einaudi is overigens schitterend voor de kennismaking met harmonie: zijn stukken laten zien hoe basisakkoorden werken. Bach is oneindig veel complexer. Ook ik hou wel van minimalistische muziek, maar ik vraag me soms toch af of onze hersenen gedegenereerd zijn tegenover enkele eeuwen geleden.’

Geleidelijk aan komt in Heli’s lessen voor kinderen de ‘echte’ klassieke muziek in beeld. ‘Ik leg ze eerst al eens stukken voor waarin bekende thema’s uit de klassieke muziek verwerkt zijn. Dan wijs ik ze erop dat dat bijvoorbeeld een sequens van Händel of een canon van Bach is. Wanneer ik voorspeel voor kinderen, zelfs kleuters, zal dat ook altijd klassieke muziek zijn. Voor ze echter zelf aan klassiek beginnen, moet de motoriek mee zijn. Ik moet hun handen eerst loskrijgen. Bij de ene duurt dat al wat langer dan bij de andere. Als leerkracht zie je wanneer ze er zelf klaar voor zijn.’

‘Nemen we Rocco nog eens, een heel begaafd en creatief kind. Wanneer hij elke dag vier uur piano zou studeren, zou hij het kunnen maken. Maar het is niet aan mij om dat te zeggen, het is zijn leven, het moet van hem komen. Pas na vier jaar koos hij uit zichzelf een klassiek stuk, en het was … Bach. Hij heeft gemerkt dat Bach studeren iets anders is. Maar hij was er klaar voor en hij heeft het zich dan ook zeer snel eigen gemaakt.’

Dialoog met de leerling
‘Muziek is een wereld die we aan onszelf moeten gunnen. De volwassenen die naar Helistudio komen, spelen piano om tijd voor zichzelf te maken en daardoor gelukkig te zijn. Nog vóór iemand hier een eerste noot speelt, heb ik daarom al respect voor haar of hem. Want die persoon kiest er bewust voor om tijd te maken voor de piano.’

‘Ook volwassenen hebben in de les overigens tijd nodig om erin te komen. Er moet genoeg ademruimte zijn om iets te proberen, het uit te zoeken, opnieuw en opnieuw. Soms heb ik al gehoord dat het erin zit, maar de leerling nog niet. Dan doen we die passage natuurlijk nog een keer.’

‘Ik denk nu aan een leerling die hier ooit binnenkwam met een verhaal over spanningen op zijn werk. Hij was helemaal niet in de stemming om pianoles te krijgen, zei hij. Hij maakte fouten. Maar dat was niet erg. We deden voort, en aan het einde van de les ging hij opgewekt weg. Ik heb ook al meegemaakt dat een leerling helemaal niet tot spelen toe kwam en zei: hier ben ik, meer kan ik nu niet doen. En toch: van alles wat die persoon op dat moment had kunnen doen, verkoos ie naar de pianoles te komen.’

‘Wanneer ik aan het begin van de les vraag: ‘Hoe gaat het met je?’, dan is dat niet zomaar een beleefdheidsvraag. Als je er niet op antwoordt, komt het toch tot uiting terwijl je speelt. In Helistudio kom ik heel dicht bij mensen. Lesgeven is geen monoloog van de leerkracht, maar een dialoog met de leerling. Ik wil connectie. Zo ontdek je sterktes en zwaktes en kan je er samen aan beginnen.’

Leerkracht of therapeut?
‘Daarom vind ik het ook zo belangrijk te weten wat het pianoverhaal van elk van mijn leerlingen is. De reden waarom iemand speelt, is telkens anders. Voor die vrouw die pas begint te spelen op haar 40ste en haar auto verkoopt om een piano te kunnen kopen, is dat verhaal heel anders dan voor een kind. Voor sommigen kan het ook een vlucht zijn naar een wereld waar ze niet over hun problemen moeten nadenken – al gaan die daar niet mee weg.’

‘De verhalen van mijn leerlingen houden me soms wakker. Op zulke momenten vraag je je af of je pianoleerkracht bent of therapeut. En dan merk ik opnieuw hoezeer de opleiding pedagogie tekortschiet. De inhoud van het vak psychologie zou helemaal anders moeten zijn.’

12 op 10
‘Ik probeer de leerkracht te zijn die ik als kind graag had gehad. Misschien heeft het ook met mijn kindertijd te maken dat ik mijn leerlingen geen examen laat afleggen. Als grap zeg ik soms wel eens: als ik je punten zou moeten geven, krijg je een 12 op 10. Of ik vraag ze: hoeveel zou je jezelf geven? Soms zeggen ze dan zelf: een 6. Ja, inderdaad, eigenlijk maar een 6. Daar ontmoeten we elkaar dan. Maar het komt niet op papier.’

‘Het grootste compliment dat je leerlingen kan geven, is dat iemand naar hen luistert, en het welverdiende applaus op een leerlingenconcert. Dan nodigen ze hun familie en vrienden uit en laten ze horen wat ze op dat moment kunnen, zonder dat het een wedstrijd is. En fouten spelen is dan helemaal niet erg. Ik luister niet naar fouten. Wat voor mij telt, is hoeveel tijd je gemaakt hebt om te kunnen wat je kan. Fouten maken is menselijk.’

Waar komen fouten overigens vandaag? Vaak hebben ze volgens Heli te maken met perfectionisme en faalangst. ‘Ook daarover zou in de lessen pedagogie meer gepraat moeten worden. Ik ben ervan overtuigd: succes begint wanneer je je kwetsbaarheid toelaat.’

Liefde voor het leven
‘Helistudio is mijn droom, mijn passie, mijn leven’, besluit Heli. In de zomer van 2017 nam ze haar intrek in het smalle pand op de hoek van de Gitschotellei en de Spillemansstraat in Borgerhout. Ze woont er met haar zoontje van zes. ‘Mijn eveneens Estse vriendin Triin Tamm heeft het voor me gevonden. Ook al was het toen nog een krot, binnen drie seconden wist ik dat dit huis mijn leven waard was. Dit is de plaats voor mijn zoon en mijn vleugel. Ik ben dankbaar voor mijn ervaringen met Jiří Hlinka. Toen ik een twintiger was, heb ik het leven van de concertzalen gekend. Ik had toen de vrijheid om zes uur per dag piano te studeren. Nu kan ik mijn eigen vleugel delen. Dit is nu mijn pianoverhaal, een verhaal van liefde.’

En daarmee zijn we op het einde van ons gesprek opnieuw bij waar het voor Heli allemaal om draait. Ze citeert tot besluit Chopin, uit een van zijn liefdesbrieven aan een Pools meisje dat niet goed genoeg was voor zijn ouders: ‘Maintes fois je raconte à mon piano ce que je voudrais te confier à toi.’ Dit vat het voor haar allemaal samen. ‘Pianospelen is een zoektocht naar liefde. Want muziek is liefde. Liefde voor jezelf, voor het leven. Het is delen. De vreugde en het verdriet, de gevoelens die ik niet onder woorden kan brengen, deel ik met klanken. Of, zoals Chopin schreef: ik vertel mijn piano de dingen die ik jou zou willen vertellen.’

www.helistudio.be

Foto 1. © Triin Tamm
Foto 2. © Cy Leong
Foto 3. © Triin Tamm – Opname van de cd Spilleman Stories vol. 1 in Helistudio met Guido Dornheim (release in juni 2019)



Next »