In Polen is de componiste en violiste Grażyna Bacewicz (1909-1969) alom bekend. Maar in België, waar ze nochtans bij de Koningin Elisabethwedstrijd en in Luik prijzen won, verdween ze bijna helemaal uit beeld. Het Pools-Belgische Karski Quartet brengt haar toegankelijke, energieke muziek opnieuw naar het publiek met een cd en concerten op onder meer het Leuvense Festival 20•21 (samen met pianist Brecht Valckenaers). Dat doen ze niet uit vaderlandsliefde of genderbewustzijn, maar ‘gewoon omdat haar werk fantastisch is’. Een gesprek met violiste Kaja Nowak en altviolist Diede Verpoest over een Pools rolmodel – of twee rolmodellen.
Violiste Kaja Nowak en altviolist Diede Verpoest lachen ontkennend wanneer ik hun vraag of het de opzet van het Karski Quartet is om vooral Poolse componistes/n uit te voeren. Het kwartet bestaat immers voor driekwart uit Poolse muzikantes: naast Kaja Nowak ook de zussen Natalia (viool) en Julia Kotarba (cello). Bovendien is het ensemble vernoemd naar de Poolse verzetsstrijder Jan Karski.
Die naam blijkt gesuggereerd door hun docent Philippe Graffin aan het conservatorium van Brussel, waar de vier elkaar leerden kennen. ‘Philippe Graffin is heel gepassioneerd door de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en heeft ook een festival georganiseerd rond vergeten en vervolgde componisten’, legt Kaja Nowak uit. ‘Jan Karski had echter niets met muziek te maken. Philippe leerde hem kennen via de documentaire Shoah van Claude Lanzmann, waarin Karski een belangrijke rol speelde. Als verzetsfiguur in het bezette Polen was hij benaderd door Joodse mensen die hem vroegen om het getto van Warschau te gaan bekijken. Volkomen geschokt door wat hij daar en later ook in de concentratiekampen zag, besloot hij het Westen daarvan op de hoogte te brengen. Hij memoriseerde een rapport en ging op gevaar voor eigen leven naar het buitenland om erover te spreken met Britse en Amerikaanse politici. Die missie heeft weliswaar, tot zijn groot verdriet, niet veel opgeleverd.’
Klimaat
‘Hoewel ons kwartet uit drie Poolse muzikantes bestaat, was het echter helemaal niet ons opzet om de Poolse cultuur te gaan promoten, integendeel. Het eerste werk dat we samen speelden, was trouwens een strijkkwartet van Claude Debussy. We hebben dan ook getwijfeld over die naam. Maar Karski’s persoonlijkheid – meelevend, integer en moedig – en zijn waarden spraken ons alle vier ernorm aan. We willen dat onze muziek niet op zichzelf staat, maar een reflectie is van het leven en de samenleving. We willen onze stem laten horen.’
‘Ons maatschappelijk engagement vertalen we in onze programmering’, vult Diede Verpoest aan. ‘Onlangs hebben we bijvoorbeeld een programma samengesteld dat vooral rond natuur draait. Daar zit veel volksmuziek in, omdat daar veel natuurelementen in voorkomen. Op die manier vragen we aandacht voor de klimaatproblematiek. We verdiepen ons dan wel in de muziek, maar we zijn ook mensen die met de maatschappij bezig zijn.’
Geen tijd voor zelfmedelijden
Grażyna Bacewicz kreeg geregeld brieven gericht aan ‘de heer Bacewicz’.
Maar nu staat dan toch een Poolse componiste op het programma. Niet omdat ze Pools is of omdat ze vrouw is, zegt Kaja. ‘De muziek van Grażyna Bacewicz is gewoon geweldig. En mij gaat het vooral daarom. Al geven we toe dat we meesurfen op de toegenomen aandacht voor vrouwelijke en vergeten componistes/n. De tijdsgeest zit zeker mee.’
Bacewicz zelf zou volgens haar biografe Diana Ambache niet zo bezig geweest zijn met man-vrouwverhoudingen. Toch beschreef de componiste in een gesprek met Nadia Boulanger (dat ze weergeeft in een vroeg essay, opgenomen in de na haar dood gepubliceerde bundel Znak szczególny (A Distinguishing Mark)) hoe zwaar ze het leven van een vrouw vond: het was onmogelijk om tegelijkertijd echtgenote, moeder, huisvrouw en creatief te zijn. De illustere pedagoge Boulanger, bij wie Bacewicz in de jaren 30 in Parijs ging studeren aan de École Normale de Musique, zou daarop geantwoord hebben ‘dat er, om te slagen in deze in wezen mannelijke wereld, geen tijd was voor zelfmedelijden en zwakke momenten’ (*).
Haar vrouwzijn heeft het Bacewicz hoe dan ook niet gemakkelijk gemaakt. Zo schreef een criticus in 1949 na een uitvoering van haar pianoconcert in Wenen dat het een ‘bekend feit is dat in de schaduw van Grażyna Bacewicz een man staat die haar composities voor haar schrijft’ (*). Brieven werden geregeld geadresseerd aan ‘de heer Bacewicz’.
Kaja: ‘Als componiste werd ze aanvankelijk uitgelachen. Medestudenten vroegen dan: “Ben je verdwaald? Dit is het lokaal voor compositie, hoor.” Later werd ze door haar collega’s wel enorm gewaardeerd en kreeg ze compositieopdrachten van vooraanstaande musici. Ook als violiste had ze een fantastische carrière. Wat een rijk leven heeft ze toch gehad! Overigens niet alleen als componiste en violiste, ze was ook moeder, zus en dochter, en zorgde altijd voor haar familie.’ Daarbovenop was ze nog auteur van vier romans, korte verhalen, essays, televisie-, radio- en theaterstukken.
Rolmodel
Na een ernstig verkeersongeval in 1954 moest ze het concerteren vaarwel zeggen en legde ze zich met nog meer ijver toe op het componeren. Ze werd jurylid bij vooraanstaande vioolwedstrijden en in de jaren 60 vicevoorzitster van de Poolse componistenbond. Volgens de componiste Bernadetta Matuszczak (1937-2021) werd Bacewicz als eerste vrouwelijke componiste in Polen door haar mannelijke collega’s als gelijke geaccepteerd en maakte ze de weg vrij voor anderen. ‘In Polen plaveide Grażyna de weg voor vrouwelijke componistes. Ze had het moeilijk, maar ze slaagde; dankzij haar grote talent verwierf ze faam… Voor ons lag de weg daarna open en keek niemand meer vreemd op: “Mijn hemel, wéér een vrouwelijke componiste!” Bacewicz was ons immers voorgegaan, dus ook de volgende had recht van bestaan.’ (*)
‘Ja, ook voor ons is Bacewicz absoluut een rolmodel’, glundert Kaja desgevraagd. ‘Maar de geschiedenis heeft de neiging om vrouwen snel te vergeten, zelfs als ze bij leven een bloeiende carrière hadden. Bacewicz won zelfs prijzen in België: in Luik de eerste prijs voor haar vierde strijkkwartet en later de tweede voor haar vijfde strijkwartet. In 1966 won ze bij de Koningin Elisabethwedstrijd voor compositie de tweede prijs en de prijs van de Belgische regering met haar zevende vioolconcerto. Vreemd dus dat ze hier zo weinig bekend is. Zelfs niet in het conservatorium, tenzij misschien onder violisten met wat solostukken.’
Diede Verpoest bevestigt: nog vóór hij met de drie Poolse muzikantes in zee ging, had hij al wel haar Caprice polonais gespeeld, een van haar bekendere stukken.
Voor Poolse musici is Bacewicz daarentegen een constante in hun muzikale leven, weet Kaja. ‘Ik denk dat elke violist/e in Polen wel minstens één stuk van haar gespeeld heeft. Ook haar orkest- en kamermuziek is er vrij populair. In Polen kent tegenwoordig echt iedereen haar naam. Er zijn straten naar haar vernoemd, en ook het conservatorium in haar geboortestad Łódź draagt haar naam en die van haar broer Kiejstut.’ (Grażyna’s beide broers, Kiejstut en de naar de VS uitgeweken Vytautas, waren ook componist en pianist. Hun zus Wanda was dichteres.)
Toegankelijk
20ste-eeuwse muziek heeft al eens de reputatie wat minder makkelijk in het oor te liggen dan pakweg de muziek uit de klassiek of de romantiek. Maar telkens wanneer het Karski Quartet Bacewicz’ werk uitvoert, krijgen ze zeer positieve reacties van het publiek, zegt Diede. ‘Zeker wanneer men haar muziek live hoort, want die is heel levendig. Bovendien zijn we een kwartet dat met veel energie en dynamiek speelt. Overigens kwam onze cd-opname onlangs als beste naar voren in een blind-listening programma op de Poolse radio waarbij een panel zes opnames van haar vierde strijkkwartet vergeleek.’
Wat haar werk toegankelijk maakt, is dat het vaak door volkmuziek geïnspireerd is. Zeker de Polen herkennen er deuntjes vol energie in, zegt Kaja. ‘Maar zelfs als ze de melodie niet herkennen, herkennen ze wel de buigingen en de klemtonen. Het is typische Poolse folklore.’
Die volkse insteek is overigens eigen aan het werk van wel meer Poolse componisten. Denk maar aan de mazurka’s van de Pools-Franse Frédéric (eigenlijk Fryderyk) Chopin. Een mazurka is van oorsprong een volksdans uit de historische regio Mazovië in Polen.
Socialistisch-realistisch
Onder de Duitse bezetting werkte Bacewicz nauw samen met het Poolse verzet. Ze werd lid van de ondergrondse muzikantenbond en streed voor het behoud van de waardigheid van Poolse kunstenaars. Na de oorlog volgde voor kunstenaars nog geen bevrijding en werden ze onderworpen aan de socialistisch-realistische doctrine van de USSR die kunst wilde inzetten voor politieke doeleinden. Kunst moest ‘volkseigen’ zijn. Aangezien Bacewiz al traditionele vormen en genres integreerde in haar composities, had ze het niet zo moeilijk om in de pas te lopen en de censuur te omzeilen. Haar werken werden regelmatig uitgevoerd door het Pools Radio Orkest, het Nationaal Filharmonisch Orkest en andere orkesten die haar compositieopdrachten gaven.
Kaja: ‘Het bleef ook voor haar een lastige periode, maar ze integreerde die “gezonde wortels van de natie” op een mooie, oprechte en intelligente manier. Ze zag zichzelf niet als een groot vernieuwer. Ze was wel geobsedeerd door vorm en wilde onderzoeken hoe ver die haar kon brengen. Want een componist moest volgens haar wel evolueren en niet een heel leven in dezelfde stijl blijven hangen.’
Experimenteren
Grażyna Bacewicz hield niet van hokjes en labeltjes en haar stijl is, los van die volksmuzikale insteek, dan ook moeilijk eenduidig te omschrijven. Haar eerste periode mag neoclassicistisch genoemd worden. Maar later is ze ook beginnen te experimenteren, naar het voorbeeld van de westerse mode. Die leerden zij en haar Poolse collega’s pas kennen na 1953, toen de Poolse Communistische Partij na de dood van de Sovjet-Russische secretaris-generaal Leonid Brezjnev meer vrijheid toestond. Bacewicz nam toen mee het initiatief voor het Internationaal Festival voor Hedendaagse Muziek, dat in 1956 voor het eerst georganiseerd werd in Warschau en het einde betekende van het Poolse isolement ten aanzien van de nieuwe muzikale stromingen uit het Westen. De Polen maakten er voor het eerst kennis met de muziek van bv. Stockhausen en Schönberg.
In de composities van Bacewicz konden dan ook subtiele veranderingen opgemerkt worden, weg van de tonaliteit en met grotere focus op instrumentale klankkleur (sonorisme). Tegelijk leren we uit haar correspondentie met haar broer in de VS dat ze haar bedenkingen had bij de westerse avant-garde. Ze was in België tot het besef gekomen, zo schreef ze, dat componisten ‘experimenteren met geluiden, kleuren, interessante ritmes enzovoort, maar er is nog steeds geen muziek’. Eigenlijk zijn ze ‘met al die avant-garde op een doodlopend spoor beland’. ‘Sterker nog: de composities bevielen zelfs de componisten zelf niet meer (uitzonderlijke genieën daargelaten). Muziek is een prachtige kunstvorm; wat er geschreven werd, was dat niet.’
Bacewicz besloot dat er een nieuwe weg gevonden moest worden en zocht die in een vereenvoudiging van de muzikale taal. Bovendien wilde ze voortaan ‘emotionele muziek’ schrijven, want ‘componisten lijken zich te schamen voor hun emotionele kant’.
Dat alles leidde volgens Diede Verpoest en Kaja Nowak tot Bacewicz’ zeer eigen, unieke stijl. Kaja: ‘Op het einde van haar leven schreef ze weliswaar zeer experimentele muziek, maar ze experimenteerde niet om het experimenteren zelf. En door al die enorme stijldiversiteit heen zie je nog één duidelijk kenmerk: een ongelooflijke manier van communiceren met de luisteraar. Die is heel direct, of het nu om een experimenteel stuk gaat of om een neoclassicistisch werk met volksmelodieën. Daardoor reageren mensen na een concert ook dat Bacewicz’ muziek veel toegankelijker is dan ze verwacht hadden.’
Motorek
Bacewicz zei van zichzelf dat ze zich tijdens het componeren nooit moe voelde en klanken in haar hoofd zo snel mogelijk op papier wilde zetten. Haar energie dankte ze aan wat ze haar motorek noemde: ‘Ik heb een klein, onzichtbaar motortje in me, en dankzij dat klaar ik een taak in tien minuten waar anderen een uur of langer over doen; ik stap normaal gesproken niet, maar ik ren; ik praat snel; zelfs mijn hartslag is sneller dan die van anderen en ik ben geboren in de zevende maand. Ik ben geboren voor actie, niet voor holle praatjes… Er is maar één essentiële vereiste: ‘motorek…’ – zonder dat heeft het geen zin.’ (*) Haar oeuvre omvat niet minder dan 12 concerti waaronder 7 voor viool, 4 symfonieën, koorwerken, kamermuziek enzovoort. En dan heeft ze nog veel stukken weggegooid, streng als ze voor zichzelf was.
Een aangename kennismaking biedt alvast de cd van het Karski Quartet, met daarop haar eerste pianokwintet en haar vierde strijkkwartet. Live tijdens Festival 20•21 in Leuven brengen ze dat strijkkwartet en het eerste en het tweede pianokwintet. Daarvoor krijgen de vier dan het gezelschap van artist in residence Brecht Valckenaers, die ons vorige jaar ook al verblijdde met de Russische componiste Galina Oestvolskaja (lees op deze blog: Galina Oestvolskaja: tussen piano, pijn en protest).
Voorts raadt Kaja het al eerder genoemde Pools caprice (Kaprys polski, 1949) voor viool solo aan, het Concerto voor Strijkorkest (Koncert na orkiestrę smyczkową, 1948) – ‘een prachtig werk met geweldige harmonieën en ritmes’ – en het Kwartet voor 4 violen (Kwartet na 4 skrzypiec, 1949). Uit Bacewicz’ latere periode is haar Altvioolconcerto (Koncert na altówkę i orkiestrę, 1968-69) het ontdekken waard.
Zelf heb ik me voorgenomen me aan mijn piano eens te verdiepen in de Kindersuite (Suita dziecięca, 1933), acht korte werkjes in veeleer neoclassisistische stijl. Bacewicz componeerde ze toen ze 23 jaar was, in de periode dat ze studeerde bij Nadia Boulanger. Vergis u niet: anders dan de titel kan doen vermoeden, bieden deze stukken toch nogal wat technische uitdagingen…
___________________
(*) Geciteerd in de biografie Grażyna Bacewicz The First Lady of Polish Music van Diana Ambache.
Tijdens Festival 20•21 speelt het Karski Quartet samen met Brecht Valckenaers het concertPolish(ed) Powerop 13 oktober om 20.30 uur in het Iers College.
Werk van Grażyna Bacewicz staat naast ander werk ook nog op het programma tijdens concerten in Brakel (3/10), Zomergem (4/10), Gent (26/10), Wetteren (30/10) en Brugge (31/10). Meer info bij hetKarski Quartet.
51 jaar geleden speelde ik als tienjarige twee heerlijke zomerweken lang met een Bosnisch meisje van negen aan een meer in het toenmalige Joegoslavië. Nooit ben ik Naira vergeten, zeker niet toen een gruwelijke oorlog het zo mooie land uiteenreet en de moslimbevolking viseerde. Welk lot was dat meisje en haar ouders beschoren? Zou ik dat ooit nog kunnen achterhalen? Dit is eens geen verhaal over de piano – want ook een vrouw aan de piano neemt al eens vakantie – maar een verhaal over een onwaarschijnlijk weerzien.
Had ik het nog verwacht? Had ik het echt gehoopt? Had ik wérkelijk gedacht dat ik Naira ooit nog zou weerzien? Na 51 jaar?
Spoiler alert: het is gebeurd! Enkele weken geleden, meer dan een halve eeuw na die zomer van 1975, zag ik Naira weer. Achteraf bekeken bleek het zelfs vrij eenvoudig om haar terug te vinden. Nog meer heuglijk nieuws: ook haar nu hoogbejaarde ouders Emira en Halid leven nog steeds in min of meer goede gezondheid in Zenica, na de toch extreem zware beproevingen die deze Bosniërs te verduren kregen. Kippenvel.
Boračko jezero
Onbevreesd stoeien met Naira in Boračko jezero, 1975.
Ik keer terug naar de zomer van 1975, toen ik tien jaar oud was. Ik zie mezelf in mijn herinnering én op de zorgvuldig bewaarde dia’s en zwartfwitfoto’s van ons thuis weer samen met Naira drijven op een luchtmatras op Boračko jezero, een smaragdgroen gletsjermeer ongeveer halverwege tussen Mostar en Sarajevo in het huidige Bosnië en Herzegovina, toen nog enkel te bereiken vanuit Konjic via een onverharde weg vol putten en bulten en ettelijke haarspeldbochten. Het was al de vierde keer dat we onze kampeervakantie doorbrachten in het toenmalige Joegoslavië, zij het dat jaar enkel nog mijn ouders, mijn jongste zus en ik. Mijn andere zus en twee broers waren intussen het huis uit en gingen dat jaar niet meer mee.
Tijdens eerdere vakanties achter het IJzeren Gordijn reisden we als nomaden: nooit stond onze campingcar langer dan een nacht of twee, drie op dezelfde plaats. In 1975 was dat ongepland anders. Niet minder dan 16 dagen kampeerden we op hetzelfde plekje vlak naast het meer in de bergen.
16 dagen lang kamperen aan de oever van Boračko jezero, 1975.
Dat had niet alleen te maken met die idylische locatie en het heerlijke zomerweer – als we de thuisblijvers mochten geloven, was de temperatuur in Joegoslavië wellicht draaglijker dan tijdens die toen nog uitzonderlijke hittegolf van 1975 in België. Maar dat we niet geneigd waren nog verder rond te trekken kwam vooral door een gezelschap Bosniërs. Een plots maar bijzonder heftig onweer had hen naar onze tentluifel doen vluchten, waar mijn ouders hen gastvrij lieten schuilen. Een van de mannen in het gezelschap bleek als gastarbeider in Düsseldorf wat Duits te kennen en bracht de conversatie tussen de Bosniërs en de Belgen graag op gang. Dat was het begin van twee volle weken bijna-samenleven, niet alleen aan Boračko jezero maar ook in hun thuisstad Zenica.
Slangen
Naira’s ouders Emira en Halid, 1975.
Mede door de foto’s heb ik nog een helder beeld van de destijds negenjarige Naira en haar ouders Emira en Halid. Naira was een olijke meid met twinkelende ogen en zachtgolvend, kort, lichtbruin haar. Ze leek sprekend op haar jonge, donkerharige moeder Emira. Halid was een knappe, rijzige man. Voorts bestond het gezelschap uit vrienden van de ouders. Allen logeerden ze in een hotel aan de overkant van het meer, maar ze kwamen steevast aan onze kant zwemmen, picknicken op het grasstrandje van onze camping en kampvuur maken (toen dat nog niet als uiterst gevaarlijk werd beschouwd).
Voor hun komst speelde ik wat met mijn poppen, eenzaam en alleen, mijn zus was daar jaren te oud voor. In het meer weigerde ik een voetje te zetten. Ik vond het niet alleen te fris, twee Nederlandse kampeerders, biologen in spe, hadden er ook slangen in gespot. Maar het was Naira die me mijn angst deed overwinnen. Samen met haar plonste ik er vanaf dan op los, al dan niet met een veilige luchtmatras in de buurt.
Op een avond mocht ik gaan logeren bij Naira in het hotel, zij kwam een nachtje slapen in onze campingcar. Een taalbarrière kenden we als kinderen niet. Ze leerde me trouwens tellen in het Bosnisch – jedan-dva-tri-četiri-pet! – en via haar vertalende vader tal van andere woorden. Tetka bijvoorbeeld: tante. Want tijdens die reis kon mijn oudste broer vanuit het verre Edegem – de moeilijke bergpas over en in het postkantoor van Konjič dan maar hopen dat de beambte de telefoonverbinding deze keer wél tot stand kon brengen – ons het heuglijke nieuws melden dat hij vader was geworden van het eerste kleinkind in ons gezin. Daarop werden we bijna elke avond uitgenodigd aan het kampvuur waar de Bosniërs ter ere van de nieuwe telg de heerlijkste gerechten serveerden en de drank rijkelijk vloeide.
Spelen met de poppen Annemieke en Grietje, en kampvuur maken toen het nog kon en mocht, 1975.
‘Tot laat in de nacht werd er rond het kampvuur gefeest, gesnoept, gedronken, gegeten van geroosterd vlees, tomaten en paprika, vinjak, kaas, pivo, koekjes, Vlaamse speculoos, bonbons, brood, vino, Turkse koffie, Schotse whisky, enzovoort. Ten slotte diep in de nacht en gelukkig nog veilig in onze slaapstee geraakt… Hoe dat laatste gebeurd is, kan ík me slechts vaag herinneren’, schreef ons vader in zijn reisverslag voor het thuisfront. Ik herinner me nog het gegniffel van mijn zus, telkens wanneer na thuiskomst de anekdote werd opgerakeld. Zij wist nog wél hoe de gloednieuwe grootvader in bed gesukkeld was.
Op het terras van het hotel van onze Bosnische vrienden, 1975.
In ieder geval genoten wij Belgen met volle teugen. ‘Het is onvoorstelbaar hoe de mensen hier met allen vriendschap zoeken en de boel gezellig maken. Ze gaan om de haverklap iets halen om je te geven, laten je mee drinken, snoepen, eten, nodigen je uit maar geven geen kans om eens zelf te betalen. Wij vinden dat een netelig probleem, zij blijkbaar nooit. Het hoort hier zo. Wij zijn de gasten. De dagen gaan hier veel te snel voorbij. We zien deze keer Joegoslavië niet, maar we leren wel de mensen wat beter kennen.’
Lift naar Zenica
Toen hun en onze vakantie dan toch stilaan ten einde liep, en mijn ouders de autoloze ouders van Naira een lift aanboden naar hun thuisstad, drongen die erop aan dat we bij hen zouden logeren. ‘Ze willen koste wat het kost van geen camping weten, we moeten bij hen thuis overnachten. Tegen YU-complotten is niemand opgewassen.’ Uiteindelijk kropen we op vrijdag met ons zevenen in de hete Datsun, en vatten we de terugreis aan richting Zenica over de toen nog beruchte Makljen-pas op 1.123 meter hoogte.
Oponthoud wegens grootse wegenwerken op de Makljen-bergpas, 1975.
‘Een ferme omweg, maar we hadden er helemaal geen spijt van. Het is en blijft een pracht van een pas en het voorhistorische pad van voor enkele jaren groeit uit tot een kortere hoofdweg. Rotsontploffingen kostten ons een kwartier oponthoud maar wat later mochten we haast een uur toezien op een bataljon reuzengedrochten van machines die met aangevoerd materiaal de wegfundaties effenden.’ Een heldere uitleg in de brieven van ons vader bij de reeks dia’s die het voorval uiteraard ook voor het nageslacht bewaarden. Toen ik vier jaar geleden met mijn partner Dirk over die bergpas reed, konden we bevestigen dat het een vlot berijdbare oversteek geworden was.
Onooglijke kamertjes
Ons vader vervolgde: ‘’s Avonds landden we in Zenica aan in een soort achterbuurt waar een aanzienlijk deel van de familie ‘samenhokt’. Lage aaneengeflanste onooglijke kamertjes, 2×2 meter maar volgepropt met meubelen, kostbaarheden, moderne toestellen. De vloer vol tapijten van allerlei aard en… niet binnen dan op je kousen of blote voeten! Alles kraaknetjes, behalve dan het gemeenschappelijke achterbuurtkoertje waarlangs je de hofhouding betreedt. Daar lijkt het meer op een rommelhok. Toilet (toalet), wasplaats, stortbad enz. primitief en helemaal nat, maar er staan een paar zelfgemaakte houten sandalen gereed voor ieders gebruik. Men slaapt met zijn tweeën in een eenpersoonsbedje. Ook wij gevieren in een minikamertje.’
En opnieuw werd er naar aanleiding van ons bezoek gegeten en gedronken dat het een lieve lust was. ‘Vrijdagavond eigenlijk tweemaal gesoupeerd – papa eerst ‘en famille’ bij de dames: paprika’s met tomaten gestoofd, een soort gebakken aardappelen in veel, veel vet, overgoten met yoghurt en daarbij nog warm zelfgebakken brood en druiven. Vervolgens werd ik dringend bij het mansvolk ontboden voor het avondmaal… We kregen alle mogelijke nationale gerechten voorgeschoteld: čevarčiči (een worstjesgeval, soms met ajuinen toe in brood, zelf gebakken), raznjiči (saté, dus aan priemen geregen en op houtskool geroosterd), burek (hun worstenbrood maar dan heel anders), enzovoort. Dat alles is in een wip geprepareerd, gekneed, gesneden, gerold, gebakken, ook het brood met zijn zware, verse, warme pittigheid. De avond lang, onafgebroken, met Jan en alleman op het koertje: ajuin, pivo en vinjak, tomaten, pepers, kaas, geroosterd vlees… Het houdt niet op. Wij geven nogal ras forfait, op de vinjak na (!). Op een gegeven moment wordt er dan nog een Turkič kafa doorgedraaid, met veel, veel suiker erin.’
Afscheid met een laatste groepsfoto in het straatje van de grootouders in Zenica, 1975.
‘’s Morgens netelige vraag: eerst kafa en dan ontbijt? Of andersom? Het wordt eerst kafa! Met zijn allen op elkaar geprangd op de vloer van een der kamertjes. Gekruiste benen om een ronde tafel van 7,5 cm hoog. Echt op zijn ‘moslims’ (de grootouders, baka en djed, praktiseren nog, de rest niet). Dan het ontbijt een half uur later: nog warm, inderhaast zelfgebakken brood met kaas, of honing, of marmelade met warme melk. Dat was dan dat.’
Schapenvel
Zo ging dat nog de hele dag voort, met eten her en der en uitstappen in de omgeving. Op zondagochtend konden we ‘eindelijk’ vertrekken richting Belgija, al had ook dat nog heel wat voeten in de aarde. Het ene cadeau na het andere lunchpakket werd nog snel aangedragen: voor mijn zus een schapenvel, voor mij een popje ‘met in suiker gesteven kleedjes’, voor onderweg ‘brood plus bananen plus druiven plus kaas plus koekje, en de resten van de čevarčiči moeten ook mee’. En uiteraard ‘in het steegje nog wat foto’s en dia’s van heel de clan en dan zal een aftandse Zastava 750 (in gang duwen!) ons een eindweegs op de goede weg brengen.’
Onnodig te zeggen dat het een belevenis was, zeker ook voor deze tienjarige, die toen nog niet bepaald reislustig was maar met Naira aan haar zijde de mooiste vakantie van haar kinderjaren beleefde. Nooit heb ik dan ook dat vrolijke kind kunnen vergeten.
Burgeroorlog
De eerste keer dat ik evenwel met grote zorg aan haar terugdacht, was in de jaren negentig bij het uitbreken van de bloedige burgeroorlog in haar prachtige land. Want hoe complex en onbegrijpelijk we hier in het Westen die vijandelijkheden ook vonden, wat we op zijn minst begrepen, was dat zeker de moslims de grote slachoffers waren. Remember Srebrenica, 200 km ten oosten van Zenica, waar zo’n 8.000 moslimmannen en -jongens door Servische troepen werden gedeporteerd en afgemaakt. Denk ook aan het 75 km van Zenica gelegen Sarajevo, permanent onder vuur vanuit de omliggende bergen. En hoewel ze niet praktiserend waren, met hun moslimachtergrond hadden Naira en haar familie wellicht voor hun leven te vrezen, besefte ik.
Toen ik zo’n vijftien jaar onder meer op basis van de reisverslagen van ons vader een (niet-gepubliceerd) boek over hem schreef, ondernam ik een eerste poging om Naira en haar ouders terug te vinden. Een bij voorbaat tot mislukken gedoemde onderneming, want tot mijn verbazing kon ik in ons familiearchief geen achternaam of adres terugvinden. Wel een kaart met nieuwsjaarswensen van Halid vanuit Duitsland, maar ook zonder enveloppe. Ik googelde hun stad plus voornamen, apart en samen, kwam weliswaar een oorlogsmisdadiger met de naam Halid op het spoor, maar weigerde uiteraard nog maar in overweging te nemen dat dat Naira’s vader kon zijn. Moest ik dan maar naar Zenica reizen en me aanmelden bij de bevolkingsdienst? Zonder kennis van een familienaam leek ook dat me zinloos.
Bovendien kreeg ik weinig aanmoediging van mijn naasten: wat hoopte ik te bereiken? Waarom zou je een vriendinnetje van zo lang geleden willen terugzien? Denk aan de kinderen met wie je vroeger op school gespeeld hebt – hoeveel vriendschappen van toen zouden de tand des tijds doorstaan? A fortiori: wie wil er zelfs een vakantieliefje terugzien? Laat toch die mooie herinneringen wat ze zijn: mooie herinneringen. Want, ten slotte de pijnlijkste bedenking: wat als je zou moeten vaststellen dat Naira of haar ouders de oorlog niet hebben overleefd?…
A la recherche du temps perdu
Terug naar Boračko jezero, 2022.
Toch bleef het knagen, Boračko Jezero en Zenica bleven aan me trekken. Vier zomers geleden vertoefde ik weer aan het meer – Dirk wilde ook wel eens weten wat er zo magisch aan was (geweest). Ter plekke vroeg ik aan de eigenaren van onze vakantiewoning of ze me konden helpen in mijn zoektocht naar Naira. Ze verwezen me door naar een scoutskamp wat verderop: die jongeren kwamen uit Zenica. Maar ik geloofde er niet in. Al kwamen ze dan uit dezelfde stad, ik betwijfelde ten zeerste dat die jongelui op mijn oude foto’s mensen zouden kunnen herkennen van twee of drie generaties voor hen. Einde verhaal, meende ik node te moeten besluiten.
Tot ik begin juli vaststelde dat Zenica pal op onze weg lag naar Montenegro, onze vakantiebestemming van dit jaar. Ik twijfelde geen moment: Dirk en ik zouden het zo organiseren dat we konden overnachten in Zenica.
Zou dat flatgebouw op de achtergrond helpen bij het terugvinden van dit steegje uit 1975?
Die avond liep ik wat kriskras door de stad. Op mijn smartphone had ik de ingescande foto’s van 1975 gedownload. Op die met het schapenvel doemde een flatgebouw op. Als ik dat nu eens kon terugvinden? Dan vond ik misschien ook de straat terug. Maar o jee, de skyline van Zenica wordt bepaald door ontelbaar veel hoge buildings. Geen beginnen aan.
Terug op ons Airbnb-adres schreef ik wel een Facebook-post. Zoals bij eerdere reizen van Dirk en mij naar ex-Joegoslavië, à la recherche du temps perdu met de brieven van ons vader in de hand, postte ik ook nu reflecties over toen en nu. Ik vertelde mijn volgers dat ik rondgelopen had in de stad waar ik 51 jaar geleden afscheid genomen had van een speelkameraadje, dat ik hoopte haar ooit terug te vinden, maar dat ik de kans nihil achtte.
Twee vriendinnen suggereerden daarop de oude foto’s die ik bij de post geplaatst had, te delen in een Facebook-groep van Zenica. Het kon toch niet anders dan dat die bestond?
Hello my dear
Dat ik daar zelf niet eerder aan gedacht had! Enkele dagen later stuurde ik vanuit Montenegro een lang Messenger-bericht naar het account ZENICA – Stare slike i pričice (ZENICA – Oude foto’s en verhalen). Konden zij een oproep plaatsen of er iemand nog mensen of plaatsen op mijn foto’s herkende?
Het onwaarschijnlijke gebeurde. Minder dan een uur nadat de beheerder van de pagina mijn vraag en foto’s gedeeld had, kreeg ik een Messenger-bericht van ene… Naira: ‘Hello my dear.’ Een vriendin van haar dochter had de foto’s zien passeren, waarop ook Naira ze onder ogen had gekregen. Zo simpel kan het zijn.
In het koortsige ge-chat informeerden Naira en ik vrijwel meteen naar elkaars ouders. Nee, mijn ouders, van een eerdere generatie dan de hare, zijn al enige tijd overleden. Maar Halid (86) en Emira (80) leven nog en zijn ondertussen 60 jaar getrouwd. Ook dat ervaarde ik als een grote Oef!
Nog maar enkele dagen voordien had Naira met haar moeder zelfs nog over mij en mijn ouders gesproken, zo liet ze me weten. Dat ik contact zocht, had ze wellicht nooit durven te dromen en het stemde haar dan ook erg gelukkig. De afspraak was snel gemaakt: twee weken later, op de terugweg van Montengero naar België, zouden Dirk en ik opnieuw over Zenica rijden en hen bezoeken.
Bosnische snoeperijen
Die zaterdag klokslag halfelf belden Naira en haar dochter Meliha aan bij onze Airbnb. Op straat zou ik de inmiddels 60-jarige Naira voorbijgelopen zijn, maar door wat voorafgaand gescrol op haar Facebook-pagina wist ik meteen dat zij het was die ik in de armen kon sluiten. De omhelzing was er een alsof we al jaren erg close waren.
Terstond haalden Naira en Meliha cadeautjes boven: Bosnische snoeperijen en het al even traditionele koffiekannetje met -kopjes op een schoteltje. In het dressoir van mijn ouders heeft jarenlang ook een dergelijk servies gestaan, onweerstaanbaar op de kop getikt in de bazar van Sarajevo – of was het die van Sofia of Istanbul tijdens een van onze andere verre kampeervakanties? Vooruitziend zoals ik gelukkig was, had ik ook een pakketje samengesteld: een fles wijn uit Montenegro plus uit onze reisvoorraad een opgespaard pakje Belgische speculoos, een witbier en een trappist.
Daarop wandelden we naar hun huis aan de rand van de stad, waar ook Naira’s ouders wonen, evenals haar jongste dochter Emina met haar in Duitsland werkende man en hun zevenjarige zoontje Selim. De hele familie living apart together, voor elk huishouden een aparte verdieping in het mooi door Halid opgeknapte huis. Meliha, 40 jaar oud, woont nog steeds samen met haar moeder. ‘Onze generatie kan zich geen eigen appartement of huis verooroorloven. Ik ben al blij dat ik na jaren zoeken tenminste een job gevonden heb, in een school’, legde ze ons onderweg uit. Waarmee we al vanzelf een herkenbaar gespreksonderwerp hadden: de Bosnische huizenmarkt blijkt niet veel te verschillen van de Belgische, want ook onze dochters hebben het moeilijk om een betaalbare woonst te vinden.
Een gigantische staalfabriek beheerst de vallei bij Zenica, 2026.
Meliha’s negen jaar jongere zus Emina is nog steeds werkloos. Wellicht door haar vele tatoeages, zei ze. Die blijken in Bosnië toch nog een tik minder aanvaard, ‘maar ik wil mezelf zijn’ – ook dat laatste herkenden we bij onze tatoeërende dochter. Net zoals haar grootvader Halid zocht Meliha’s echtgenoot dan maar werk in Duitsland. Vandaar dus de zware auto met Duitse nummerplaat voor de deur.
De gigantisch grote staalfabriek die een groot deel van de vallei beheerst en waar bij het naderen van Zenica niet naast te kijken valt, biedt blijkbaar geen perspectief (meer). Deze laatste staalfabriek van Bosnië en Herzegovina, van 2004 tot 2025 geëxploiteerd door ArcelorMittal en een bron van zware luchtvervuiling, was geen optie. Dit voorjaar werd overigens de sluiting ervan aangekondigd.
Karlo
Hartelijk weerzien met Emira en Halid, 2026.
Inmiddels zaten Halid en Emira ons in de schaduw van hun met wijnranken omgeven terras met enige ongeduld op te wachten. Ook met hen was de omhelzing innig. Ik vroeg Halid meteen of hij nog Duits sprak. ‘Nein, vorbei’, zei de voormalige Gastarbeiter resoluut. Was het onwil of echte onkunde? Ik diepte uit mijn tas de nieuwjaarskaart op die hij zovele jaren geleden in het Duits naar ons geschreven had. Hij bekeek ze langdurig, maar zei er niet veel over. In zijn conversatie in het Bosnisch met zijn dochter en kleindochter herkende ik evenwel de naam van ons vader: Karlo – zoals ze Karel steevast uitspraken. Veerle is overigens al helemaal onuitspreekbaar voor hen, wat ik wel vaker ervaren heb tijdens reizen in den vreemde.
Herinnert Halid zich nog deze nieuwjaarskaart die hij in 1975 schreef in het Duits?
De rest van de dag hield Halid zich wat afzijdig in de gesprekken – volgens zijn dochter een gevolg van zijn toenemende doofheid. Zijn grootste zorg was dat we niet te veel last hadden van de brandende zon en genoeg te eten en te drinken kregen.
Vertaalapp
Converseren via een vertaalapp.
Met Emira testte ik de instant vertaling via de microfoon van GoogleTranslate. Die kan je weliswaar niet instellen op Bosnisch, maar via het gelijkende Kroatisch lukte het ook. Terwijl ze me aanhoudend over mijn rug streelde, kon ik uit Emira’s woorden opmaken hoe ontroerd ze was om me terug te zien. Ze vond me als tienjarige ‘zo’n lief kind en nu nog meer’, vertelde de vertaalapp me, en ‘ik wil dat je dat weet’. Hoewel ik als kind sprekend op mijn vader leek, herkende Emira nu vooral mijn moeder in mijn 61-jarige zelve. ‘Ik herinner je mama en alles van die vakantie nog zo goed. Ook hoe we in de bergen rond het meer zijn gaan wandelen. We hebben het toen samen zo gezellig gehad.’
Četniks en Ustaše
Nadat in de kleine koffiekopjes de bosanka kahva was opgediend, sneden Dirk en ik met enige schroom het heikele onderwerp aan: hoe hadden Naira en haar ouders in de jaren negentig de oorlog beleefd en overleefd? Wilden ze daar überhaupt wel over vertellen? Dat bleek geen probleem, al verkoos Naira daarvoor haar eigen taal. Haar dochter Meliha, die vijf was toen in 1992 de burgeroorlog uitbrak, vertaalde naar het Engels.
En dan is er kahva.
Of ze de voorgeschiedenis en de aanleiding konden overslaan? Ja, dat mocht, Dirk en ik hadden immers net het vuistdikke boek Joegoslavië – Kroniek van zes of zeven landen van Johan de Boose uitgelezen. Kort samengevat: Četniks en Ustaše, twee rivaliserende extreem-nationalistische bewegingen met wortels in de Tweede Wereldoorlog, wilden het grote Joegoslavië kapot krijgen en verdelen op basis van etnische gronden. De Ustaše waren Kroatische fascisten die de Serviërs viseerden, terwijl de Četniks het als Servische royalisten gemunt hadden op de Kroaten en de moslims.
Gaza
Vergelijk het gerust met de toestand in Gaza, voegde Meliha er geagiteerd aan toe. ‘We kunnen het nauwelijks verdragen wanneer we op televisie die beelden zien, want dat is wat wij ook hebben meegemaakt. Ik weiger te geloven dat het daarbij alleen om religie draait.’
Het raakte haar persoonlijk. ‘Ik ben moslim, maar ik praktiseer niet. Ik ben opgevoed zonder haat tegenover anderen. Ik volgde les op een katholieke middelbare school en heb vrienden van verschillende achtergronden, sommige met een hoofddoek. Die diversiteit is zo mooi aan onze stad, waar orthodoxe en katholieke kerken zij aan zij staan met moskeeën en een synagoge. Mijn geloof is geworteld in God en menselijkheid, waarbij ik geen onderscheid maak tussen mensen op basis van religie, maar enkel op basis van de vraag of ze goed of slecht zijn. Weet je, tijdens de oorlog doken ook moslims op van wie wij bang waren. Soms belden mannen met baarden aan die zeiden ons te willen helpen en aanboden te trouwen met onze meisjes. Volgens mij waren dat geen moslims, maar buitenlandse strijdkrachten. Ik heb er niets tegen dat iemand een hoofddoek draagt, maar plots zagen we totaal bedekte vrouwen. Je wist niet eens of er onder die boerka een vrouw of een man zat. Misschien verborgen ze wel wapens.’
Schuilkelder
Ondanks de blokkade kon Meliha met haar moeder Naira en grootmoeder van vaders kant vluchtten naar familie in Omiš bij Split in Kroatië. ‘Hoewel het daar veilig was en we er te eten hadden, bleef ik er ontroostbaar huilen om mijn vader en mijn hond. Ook mijn moeder had het moeilijk. Uiteindelijk beslisten we terug te keren naar Zenica om bij onze familie te zijn. Ik was zó blij, al besefte ik als inmiddels zesjarige heel goed dat we gedood konden worden.’
Terug in Zenica verbleef Meliha aanvankelijk in het flatgebouw waar haar vader nog steeds woont. Uit veiligheid sliep ze daar soms in een lift. ‘Er waren er twee, een grote en een kleine. Op een keer zat ik in de kleine toen de elektriciteit uitviel. Als ik nu op bezoek ga bij mijn vader, durf ik daar nog altijd niet in.’
‘Er was ook voortdurend luchtalarm. Als we dan op school zaten, moesten we telkens naar de schuilkelder. Dat weet ik nog goed, maar hoe ik de eerste en de tweede klas onder die omstandigheden heb kunnen afwerken, begrijp ik niet. Desondanks hebben velen van ons later met succes universitaire studies afgerond.’
Donkere tunnel
Naira’s ouders Halid en Emira woonden tijdens de oorlog in een vakantiehuisje buiten Zenica. Daaraan heeft de familie volgens hun kleindochter te danken dat ze de blokkade van de stad hebben overleefd. ‘Ze konden er wat groenten verbouwen. Maar het bleef ook daar erg gevaarlijk, want in de buurt van dat dorp was het Kroatische leger actief. Mijn grootmoeder werkte toen als typiste op de rechtbank. Daarvoor moest ze dagelijks met een oude trein naar de stad. De rit voerde door een lange, pikdonkere tunnel. Ze was dan ontzettend bang, want je wist nooit wat er kon gebeuren.’
Halfgebakken ei
Gaandeweg het verhaal kregen Emira en Naira het moeilijk en werden bijna onmerkbaar ogen drooggewreven. Toch kon er een lach af wanneer Meliha anekdotes oprakelde. ‘Toen ik in dat vakantiehuisje verbleef, vroeg ik mijn grootmoeder eens of ze in haar kopje koffie de toekomst kon zien. Mijn oma verzon maar iets: dat er iemand zou komen die iets zoets zou meebrengen. En toen kwam mijn mama binnen met chocolade en eieren! Ik at ervan zoals de beesten. Om ons te zien had mijn mama wel 24 kilometer moeten stappen, want er was geen vervoer vanuit de stad. Onderweg werd ze geregeld tegengehouden door soldaten.’
‘Op een ander moment was ik eens een ei aan het bakken toen we naar een schuilkelder moesten vluchten. Ik weigerde dat halfgebakken ei achter te laten en zat de hele tijd met dat pannetje in mijn handen op een stoel in die schuilkelder. Nu kan ik erom lachen, maar eigenlijk was het helemaal niet grappig.’
Afschuwelijke stilte
Naira werkt bij het begin van de oorlog in een kleuterschool in een wijk waar voornamelijk Kroaten woonden. ‘Op een dag nam het Kroatische leger de school in om er ziekenhuisbedden te installeren’, vertaalde Meliha. ‘Haar baas nam mijn mama apart en waarschuwde haar dat ze onmiddellijk moest vertrekken. Een paar dagen later werd de stad etnisch gezuiverd. Er waren kinderen bij die mijn mama onder haar hoede had gehad. Vreselijk voor haar.’
‘Na de genocide in Srebrenica kwamen veel vluchtelingen naar Zenica. Mijn moeder werkte bij een organisatie die in een opvangkamp psychologische hulp bood. Ze herinnert zich de afschuwelijke stilte toen de bussen met vrouwen en kinderen midden in de nacht arriveerden. Die vluchtelingen vertelden gruwelijke verhalen over hoe ze tijdens hun reis uit de bussen waren gehaald en met het mes op de keel werden bedreigd om hun geld en waardevolle spullen af te staan.’
Börek
Waar ooit het huis van de (groot)ouders stond, tiert nu een wildernis achter een houten schutting.
Op dit punt in het relaas wisselden Dirk en ik blikken uit. Werden de herinneringen niet te pijnlijk en moesten we het verhaal laten afbreken? Het vorderende middaguur besliste in onze plaats: vader Halid meende dat het op het terras te heet werd en dat het tijd was om eten te gaan afhalen. Hoeveel stukjes vlees wilden we in onze börek?
Later kwam de oorlog nog wel geregeld om de hoek kijken. Zoals toen Naira en haar dochter ons op mijn vraag meenamen naar het steegje waar we in 1975 zo gastvrij onthaald waren in het huis van de (over)grootouders. Vergeleken met de oude foto’s zijn de straat en het wegdek nog meer onderkomen dan toen, maar vooral: het huis is er niet meer… Jazeker, gebombardeerd tijdens de oorlog – waarbij de grootmoeder als bij wonder nauwelijks geraakt werd – maar het was nadien wel weer heropgebouwd. Na de dood van de grootmoeder heeft de nieuwe eigenaar het echter simpelweg afgebroken. Ook dat doet Naira en Meliha nog steeds pijn. ‘Niet alleen onze stad maar ook de mensen zijn veranderd’, merkte Meliha op. ‘Ik weet niet hoe het komt, maar men lijkt nu veel meer met zichzelf bezig. Is het het gevolg van de corona-lockdown? Of heeft het toch nog met de oorlog te maken?’
Oorlogsmonument in het centrum van Zenica.
In het stadscentrum stonden we midden tussen de winkelende menigte stil bij het oorlogsmonument waarop alle namen gegraveerd staan van de omgekomen inwoners van Zenica. Het zag er wat onderkomen uit. Toch kan er geen twijfel over bestaan dat het trauma meer dan 30 jaar later nog niet verwerkt is. Naira werkt inmiddels op een pedagogisch instituut, waarbij haar job onder meer traumabegeleiding omhelst. Ze deed daarvoor onderzoek naar de inzet van muziek als therapie voor kinderen. Op haar Facebook-pagina deelt ze voortdurend oorlogsgerelateerde posts, zoals onlangs nog naar aanleiding van de jaarlijkse herdenking van de slachting in Srebrenica.
Poort
Naira met haar ouders op de burcht Vranduk.
Ook in 1975 namen Halid en Emira ons bij ons bezoek aan Zenica mee naar een oorlogsmonument, op de Smetovi-berg een eind buiten de stad. Die zogenaamde spomenik herdenkt dan weer de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en de strijd van de Joegoslavische partizanen tegen de asmogendheden.
Ik wilde er wel heen, om opnieuw een vergelijking te kunnen maken met de foto’s van toen. Maar Naira stelde een uitstap naar een andere plek voor, eveneens met een historische betekenis voor de Bosniërs. In haar auto nam ze Dirk en mij en haar ouders mee naar de middeleeuwse burcht Vranduk, hoog boven de rivier de Bosna. Die werd gebouwd in de 14de eeuw als residentie voor de Bosnische koningen. Na de inname door de Ottomanen verrees ernaast een moskee. Het strategisch gelegen complex wordt nog steeds beschouwd als ‘de poort tot Bosnië’, legde Naira uit.
Afscheid, maar we keren nog terug naar Zenica!
Het onvermoede weerzien met Naira, Emira en Halid heeft ook een poort geopend. Of toch een venster. Op het verleden. Op een niet-gedeeld leven van een halve eeuw. Op een hunkering naar meer en naar hét meer. Naira is sinds 1975 niet meer aan Boračko jezero geweest – tenzij dan jaren geleden om haar dochters te gaan afzetten voor een scoutskamp (!). Resoluut beloofden we elkaar er volgende zomer samen terug te keren naar die paradijselijke plek van onze kinderjaren. Om onze vakantie voort te zetten. En elkaar meer te vertellen. Al wil ze dat we voor de verhalen eerst komen logeren in Zenica. In afwachting van een tegenbezoek aan Belgija brengen we dan Belgian chocolate mee, beloven we haar dochter.
Je kunt een boek schrijven over componistes, je kunt er lezingen over geven, je kunt werk van hen laten horen op de radio en in de concertzalen. Allemaal prima en nodig om hen eindelijk uit de vergetelheid te halen.
Dani van Steen doet het op haar manier: ze tekende en schilderde een hele reeks portretten van hen. Het schitterende resultaat is op 20 en 21 juni te zien in zaal Da Capo in Hove, waar de laatstejaars van de kunstacademie hun eindwerk tonen.
Dani maakte eerder al portretten van componisten, vertelde ze me, tot ze zich vorig jaar plots realiseerde dat dat altijd maar mannen waren. ‘Ik heb jarenlang muziekacademie gevolgd (piano, gitaar, viool en compositie). Plots werd ik me ervan bewust dat ik nooit één werk van een vrouw gespeeld heb. Daarom ben ik naar hen op zoek gegaan.’
Toen ze dan ook nog eens een thema moest kiezen voor haar eindwerk aan de kunstacademie, stond haar besluit vast: ze zou vrouwelijke componistes portretteren. Haar docenten probeerden haar nog even op andere gedachten te brengen, want ‘je moet daar wel een heel jaar mee bezig zijn, hoor’. Onder verstaan: zoveel componistes zullen er wel niet zijn… Maar ze zette door en ontdekte er gaandeweg alleen maar meer – ten dele geïnspireerd door mijn boek Vrouw aan de piano, waar ze zich vorig jaar in verdiepte nadat ze een lezing van me had bijgewoond.
Al die opgedane kennis verwerkte ze ook nog eens in een uniek krantje én zette ze, samen met muziekvoorbeelden en nog meer portretten, op een website. Een multidisciplinaire project dus, dat in Hove opvallend veel geïnteresseerden trok aan wie Dani met veel enthousiasme telkens opnieuw haar verhaal en dat van de componistes vertelde.
Ik hoop van harte dat ze de kans vindt om eens álle portretten te tonen – want in Hove was de haar toebedeelde ruimte beperkt. En wie weet, zit er dan nog wel meer ‘muziek’ in…
Op deze blog hou ik notities bij over wat me bezighoudt als amateurpianiste, als vrouw aan de piano. Deze notities bouwen voort op mijn boek Vrouw aan de piano, dat verschenen is bij Uitgeverij Vrijdag/Pelckmans.