Blog Image

Blog

Clara Schumann, modern icoon in de 19de eeuw

Notities Posted on 26 juni 2025 23:46

Over het leven, het werk en de betekenis van Clara Schumann is al lang zeer veel bekend. Ze is veruit de best gedocumenteerde componiste en pianiste uit de negentiende eeuw – waar ze overigens zelf mee voor gezorgd heeft. Toch vond de Duitse journaliste Christine Eichel het de hoogste tijd om nog een nieuwe biografie te schrijven. Een biografie waarin ze nieuwe accenten legt en vooral: Clara beoordeelt volgens 21ste-eeuwse normen en waarden. Gewaagd, al doet het wel lezen en wil je het graag geloven. De bewondering en het respect voor deze unieke vrouw wordt er alvast niet minder op.

Nog een Clara Schumann-biografie erbij in mijn boekenkast. © vja

Eerlijk gezegd was ik niet geneigd om nog maar eens een biografie te lezen over Clara Schumann. Wat zou ik nog voor nieuws kunnen vernemen nadat ik voor mijn eigen boek Vrouw aan de piano en vervolgens ook voor lezingen en cursussen haar leven en werk al grondig bestudeerd had? Ik las onder meer het vroege referentiewerk The Artist and the Woman (1991) van Nancy B. Reich en het recentere Clara Schumann. Ihr Leben. Eine biographische Montage (2015) en Clara Schumann – Musik als Lebensform (2019), beide van prof. Beatrix Borchard, volgens mij nog altijd dé Clara-experte bij uitstek. Voorts grasduinde ik uitvoerig in de vele bewaard gebleven dagboeken van Clara (en Robert) Schumann. 

Cover van de Nederlandse vertaling / Christine Eichel. © Thomas Kierok/ Siedler Verlag

De schrijfster van de meest recente biografie en haar uitgeverij beloofden evenwel een nieuwe kijk op de componiste. Volgens de flaptekst van Clara – Het leven van Clara Schumann: wonderkind, carrièrevrouw, cultureel icoon ‘rekent Christine Eichel af met de clichés’. De journaliste en filosofe, die eerder ook al een ophefmakende biografie schreef over Beethoven onder de titel Der empfindsame Titan, zou dat doen op basis van een nieuwe lezing van de vele bronnen. Geprikkeld door de vijf sterren die De Standaard ‘deze ongemeen goed vertelde biografie’ toekende, ging ik dan toch overstag.

Legendevorming

Ik kan al meteen zeggen dat ik wat de historische feiten betreft niet veel nieuws geleerd heb. Uit eerdere biografieën vernam ik zelfs nog meer over Clara én haar entourage. Al rijst meteen wel de vraag wat ‘feiten’ zijn… Wat waren de feiten en wat was legendevorming, ook door Clara zelf? Beatrix Borchard illustreerde eerder al hoezeer Clara zich er levenslang van bewust was dat ze ‘bekeken’ werd. Al toen ze een kind was en nog niet kon schrijven, hield haar vader Friedrich Wieck in haar naam een dagboek bij. Door zijn ogen kunnen we volgen hoe het wonderkind de Europese concertpodia veroverde, welke inspanningen hij daarvoor leverde en hoe hij er ook flink aan verdiende. Op latere leeftijd nam Clara zelf de pen ter hand, voor haar eigen dagboeken, voor het huwelijksdagboek met Robert Schumann en voor de uitgebreide correspondentie met collega’s en vrienden, onder wie natuurlijk Johannes Brahms, met wie ze een (al dan niet platonische) relatie had.

Christine Eichel is evenwel de mening toegedaan dat Clara in haar schrijfsels niet altijd oprecht was. Dat was ze overigens niet zonder reden. Immers, had Robert haar niet ooit toevertrouwd dat hij met de gedachte speelde zijn gehele correspondentie te publiceren, ervan overtuigd dat hij de muziekgeschiedenis zou ingaan als een genie? Hoe kon ze er dan zeker van zijn dat hun journal intime nooit door derden gelezen zou worden?

Daarom deed Clara er volgens Eichel alles aan om de schijn van het perfecte kunstenaarskoppel hoog te houden. ‘De manier waarop hun huwelijk werd gezien en beschreven zou Clara Schumann met diepe voldoening hebben vervuld,’ vermoedt Eichel, ‘zoals ze ook genoten zou hebben van de talrijke biografieën die de mythe van hét droompaar van de romantiek laten voortleven en die Clara verheerlijken als een tragische heldin.’ Over de schaduwkant van dat succesverhaal had men het liever niet: ‘de verloocheningen, de eenzaamheid, het rusteloze leven van een kunstenares die met mislukkingen net zo vertrouwd is als met doorslaande successen’.

Huisvrouw

Als je de volledige briefwisseling goed leest, zo stelt Eichel, ‘onthult de voorgeschiedenis van dit huwelijk een verbitterde strijd tussen de seksen. Aan beide kanten.’ Zoals bekend heeft Clara gevochten, tot voor de rechtbank toe, om tegen de wil van haar vader te kunnen trouwen met de negen jaar oudere Robert. 

Clara Wieck kort voor haar huwelijk met Robert Schumann in 1840.

Nochtans had ook zij haar twijfels: Robert liet er in zijn brieven geen misverstand over bestaan dat ze in het eerste jaar van haar huwelijk en misschien wel definitief het concerteren, ja zelfs de kunstenares in haar, zou moeten vergeten. Hoezeer hij haar pianistiek talent ook bewonderde én nodig had – eigenlijk was ze letterlijk zijn rechterhand voor het uitvoeren van zijn eigen composities – ze zou in de eerste plaats huisvrouw moeten worden. Aan de jonge vrouw die nooit iets in het huishouden had moeten doen – op zich al een unicum in die tijd – schonk hij nog voor hun bruiloft een kookboek. Met de haar typerende vasthoudendheid deed ze wel degelijk haar best om het haar onbekende terrein van de kookkunst te veroveren. Ze legde op hun eerste adres in Leipzig zelfs een moestuin aan, wat haar luidens het huwelijksdagboek ‘het grootste plezier’ bezorgde. ‘Het ontbreekt me werkelijk aan niets voor mijn geluk’, schreef ze, maar meteen voegde ze daar relativerend aan toe: ‘als daar niet af en toe een melancholieke blik op de toekomst zou zijn, die mij verdrietig stemt’. 

Labiele man

Hun woonst in de Inselstrasse (nu het zeer bezoekenswaardige museale Schumann Haus annex Musik- und Kunstschule Clara Schumann) ervoer ze als een gevangenis, terwijl ze ‘in artistiek opzicht dakloos’ geworden was nu ze niet meer mocht optreden. Robert, haar ‘sentimenteel opgehemelde held’ uit de naïeve dromen van haar meisjesjaren, bleek bovendien al gauw een labiele man die in toenemende mate een last voor haar betekende, culminerend in zijn zelfmoordpoging en zijn opname in een krankzinnigengesticht. Dat hij Clara toch aanmoedigde om te componeren, ach, dat was waarschijnlijk ‘omdat het een huiselijke bezigheid is’.

Clara en Robert Schumann in 1847.

Nee, Robert komt allesbehalve mooi uit het verhaal zoals Eichel het schetst. Al snel na haar bruiloft besefte Clara dat ze getrouwd was met ‘een man die ongeschikt is voor een relatie, die zich meestal in stilzwijgen hult, zich urenlang opsluit in zijn werkkamer en zijn avonden het liefst in de kroeg doorbrengt. Zonder haar. Van steun voor haar artistieke interesses is geen sprake. Robert verwacht dat ze hem van dienst is en heeft geen oog voor haar eigen behoeftes.’ 

Maar ook voor Clara is de biografe bijwijlen streng: ze heeft haar troefkaarten verspeeld en Roberts waarschuwende woorden in de wind geslagen. Zelfs op seksueel vlak wist ze heel goed waar ze aan toe was, toen ze Roberts brieven las: ‘Het zal je hoe dan ook moeilijk vallen het beroemde instrument [Clara’s erotische aantrekkingskracht] over mij te hanteren, ik zal jou, wildebras die je bent, weten te temmen.’ 

De financiële toestand van het weldra kroostrijke gezin – Clara zou acht kinderen op de wereld zetten – betekende Clara’s redding. Omzichtig laverend dwong ze af dat ze toch weer kon gaan toeren. De ooit zo zelfstandige en alom gerespecteerde vrouw slaagde er dan toch in uit de haar opgelegde cocon te breken.

Clara’s verhaal is daarmee bijlange na niet ten einde – voor een korte versie verwijs ik graag naar Vrouw aan de piano, voor een gedetailleerde wil ik zeker deze zeer vlot leesbare monografie van Christine Eichel aanbevelen.

Desperate housewife

Maar wat maakt Eichels werkstuk nu zo anders, behalve dat ze aandachtig tussen de regels van Clara’s schrijfsels leest?

Johannes Brahms in 1853, toen hij zich kwam voorstellen aan Clara en Robert.

Al vanaf de eerste bladzijden valt haar eigenzinnige aanpak op. Toegegeven, haar inleiding (Preludium) las ik nog met enige scepsis. Niet in de laatste plaats door Eichels modieuze woordkeuze en psychologische typeringen, die me niet alleen verrasten maar soms ook wel deden grinniken. Zo omschrijft ze Clara onder meer als een working mom die vocht voor haar worklifebalance en niettemin opmerkelijk goed slaagde in networking. Na de geboorte van haar eerste kind vertoonde ze tekenen van babyblues, al bracht ze die ‘postnatale stemmingen’ geenszins daarmee in verband. Ze voelde zich in haar ‘toxische relatie’ afgewezen door haar man. Ze was een desperate housewife, die leed aan het ‘stockholmsyndroom’. Tegelijk was ze bezorgd over wat de buitenwereld ervan zou vinden dat zij meer verdiende dan Robert, want dat was ‘een typisch geval van downdating’. Net zoals haar relatie als statige sterpianiste met de mooie blonde, 14 jaar jongere Johannes Brahms. 

Zes van de acht kinderen die Clara op de wereld zette.

En dat ze egocentrisch was en een ‘frappante kilheid’ vertoonde ten aanzien van haar kinderen? Dat is volgens Eichel tekenend voor regretting motherhood, ‘het lang als taboe beschouwde berouw van vrouwen die spijt hebben van hun moederschap’ – wat overigens perfect verklaarbaar was, omdat Clara als kind van gescheiden ouders zelf nooit ouderliefde had ervaren én omdat het nooit haar ambitie was om een gezin te stichten. Niet alleen Robert ervoer ze steeds meer als last, ook haar kinderen waren dat. Dat zou volgens Eichel de reden kunnen geweest zijn voor haar twee abortussen. (Uit eerdere biografieën onthield ik dat het om twee miskramen ging, maar Eichel meent te kunnen stellen dat Clara die welbewust heeft uitgelokt.)

Voorts zijn er nog de ‘queere aspecten van Clara’s leven’: Roberts moeilijk te onderdrukken biseksualiteit die hij consumeerde met ‘zonnejongelingen’ (in eerdere biografieën zag ik ook die nooit zo duidelijk aangehaald) en de lesbische relatie van een van haar dochters. Robert wordt door Eichel overigens gediagnosticeerd als iemand met een ‘histrionische’ persoonlijkheid, met narcistische trekjes en een hechtingsproblematiek.

Storytelling

Dat Clara na de dood van Robert tijdens haar concerten steevast met een rouwband en geheel in het zwart gekleed het podium betrad, duidt Eichel met een hedendaagse term als storytelling. ‘Schotel de mensen een emotioneel verhaal vol tragiek en drama voor, en je kunt ervan uitgaan dat je hun steun geniet.’ Terugkomend op hierboven: ‘Deze marketingstrategie [mijn cursivering] werkte echter alleen op basis van het sentimentele narratief [idem] dat zij en haar man tot zijn overlijden het perfecte huwelijk hadden, wat niet het geval was. Maar Clara wist hier wel iets op. Weldoordacht publiceerde ze alleen brieven die deze mythe [idem] aanwakkerden. Brieven over problematische onderwerpen bleven in de la liggen.’  

De vraag of er nu werkelijk sprake was van erotiek tussen de genieën Clara Schumann en Johannes Brahms vindt Eichel minder interessant: ‘Clara pakt wat ze nodig heeft (…). Als het op een gegeven moment moeilijk dreigt te worden, maakt ze een einde aan het samenwonen en laat ze het bij een vriendschap. Geen compromissen meer. Na zich te hebben bevrijd van haar strenge vader en haar problematische echtgenoot zal ze zich hoe dan ook nooit meer verlaten op een man, niet op een vaste partner en ook niet op de bescherming door een impresario. Ze gaat te werk als een zakenvrouw, een selfmade woman, die haar carrière in eigen hand neemt.’

En ze besluit: ‘Je zou kunnen zeggen dat Clara Schumann de Lady Gaga van de negentiende eeuw is: een zelfstandige kunstenares die haar eigen mythe creëert.’

Verrassend moderne vrouw

Aanvankelijk fronste ik dus de wenkbrauwen bij die op-en-top 21ste-eeuwse analyse van een 19de-eeuws leven, met bijbehorende (Engelstalige) typeringen. Maar gaandeweg ging ik er wel in mee. Sowieso hoefde ik al lang niet meer overtuigd te worden dat Clara veel meer was dan ‘vrouw van’ en dat haar strijd voor autonomie, op artistiek, menselijk en economisch gebied ‘uniek’ was. Vooral als je beseft dat ze geen noemenswaardige vrouwelijke voorbeelden had en het nog ruim vijftig jaar wachten was op de suffragettebeweging voor gelijke rechten. Clara beschouwde zich trouwens ‘in de eerste plaats juist niet als vrouw, echtgenote of moeder, maar als kunstenares’.

En al denk ik bij romantiserende biografieën in de eerste plaats aan de biopics die destijds vooral de driehoeksrelatie Robert-Clara-Johannes in de verf gezet hebben, ik kan Christine Eichel ook wel ergens begrijpen dat ze het tijd vond om ‘Clara’s verhaal opnieuw te vertellen, bevrijd van het vernisje van idealiserende interpretaties. Niet in de laatste plaats omdat ze, ook los van de historische context, een verrassend moderne vrouwenfiguur is’. Omdat Clara’s relatieproblemen ‘verbazingwekkend hedendaags’ overkomen, mogen ze volgens Eichel vanuit die optiek benaderd worden. ‘Clara schrijft over veel onderwerpen die vrouwen ook nu nog bezighouden – de kwestie van de eigen identiteit, de problematiek van de financiële afhankelijkheid, de maatschappelijk bepaalde machtsongelijkheid tussen man en vrouw, ook de wens om na de bruiloft haar professionele doelen te verwezenlijken. Maar in de eerste plaats gaat het gewoon om geld.’

Catalogus van de tentoonstelling in Frankfurt in 2019. Met Clara’s portret van Franz von Lenbach, 1878.

Eichel is niet de eerste die Clara portretteert als een ‘moderne vrouw’. Ik moest terugdenken aan een van de tentoonstellingen die ik bezocht in 2019, het jubileumjaar naar aanleiding van Clara’s 200ste geboortejaar. In Frankfurt am Main, waar Clara de laatste jaren van haar leven woonde en lesgaf aan het conservatorium, liep die expo onder de titel Clara Schumann – eine moderne Frau im Frankfurt des 19. Jahrhunderts. Een medewerkster vertrouwde me toen toe dat ze als historica niet gelukkig was met die omschrijving: je mag toch niet met hedendaagse maatstaven kijken naar het verleden? Dat is dus nét wat Christine Eichel wel doet, en met nog véél meer vastberadenheid.

Fake news

Dat wordt zeker niet overal geapprecieerd. Op het net las ik in een recensie van het Duitse origineel dat Eichels perspectief getuigt van ‘vooringenomenheid’. ‘Hoe psychologisch plausibel het boek ook lijkt, zo eenzijdig is de interpretatie van de autrice toch ook wanneer ze met hedendaags jargon toxische mannelijkheid en vrouwelijke zelfbekrachtiging tegen elkaar uit speelt.’

Nog strenger klonk het in een opiniebijdrage van de erevoorzitter van het Städtische Musikverein zu Düsseldorf, het orkest waar Robert (op een weinig succesvolle manier) dirigent was. Manfred Hill (80) is niet alleen ‘bezorgd dat het echtpaar Schumann wordt verguisd en in een licht wordt geplaatst dat niet overeenkomt met de bewijsbare feiten’. Hij meent ook dat Eichel verouderde edities van brieven gebruikte – waarmee hij eigenlijk wel toegeeft dat er eerder een probleem was met de bronnen – en hij verwijt haar dat ze geen bewijzen voorlegt. Wat zijn die ‘tot dusver veronachtzaamde bronnen’ waarop zij zegt zich te baseren? Hij betreurt dat ze ‘al lang achterhaalde clichés die op basis van de bronnen weerlegd zijn’ opnieuw bovenhaalt en vreest dat het fake news dat ze verspreidt een terugslag zal betekenen voor de serieuze muziekwetenschappers die al tientallen jaren onderzoek doen naar de familie Schumann. ‘Jammer dat persoonlijkheden worden aangevallen die zich niet meer kunnen verdedigen. En niet in de laatste plaats vraag je je af: waarom eigenlijk? Waarom worden voor zo’n sensationele roman echte personages gebruikt?’ Een ‘roman’ noemt hij het dus ook, geen objectieve wetenschappelijke tekst.  

‘Eigenlijk mag je geen aandacht besteden aan deze biografie, en ik koop ze sowieso niet’, luidde het in een van de reacties op Hills opinie. Iemand anders veroordeelde het ‘TikTok-niveau’, dat ‘volkomen ongepast en respectloos is ten aanzien van dit buitengewone kunstenaarspaar’.

Tja. Terechte kritiek? Of een illustratie van wat Christine Eichel net wil aantonen: dat melomanen (van een oudere generatie?) het niet nemen dat geraakt wordt aan hun held, i.c. Robert Schumann? De website van Städtische Musikverein zu Düsseldorf lijst alleen de instemmende reacties op Hill op. Intussen is de biografie in Duitsland wel een verkoopsucces. 

Dubbelportret

Tot slot wil ik nog stilstaan bij nog een originele kijk van Christine Eichel. Zij kijkt met andere ogen naar de overgeleverde portretten van Clara Schumann. In haar marketingstrategie was Clara zich immers erg bewust van het toenemende belang van beelden (de zogenaamde iconic turn).

Dubbelportret (1846), gipsafdruk naar het origineel van Ernst Rietschel zoals het te zien was op de tentoonstelling in Frankfurt. © vja

Eerder schonken biografen al aandacht aan de constellatie op het bekende medaillon dat de Leipziger beeldhouwer Ernst Rietschel maakte. Voor dat dubbelportret eiste Robert dat hij vooraan geplaatst werd, omdat hij van oordeel was dat de scheppende kunstenaar (de componist) voorrang had op de uitvoerende (de pianiste). Volgens Christine Eichel was het enkel terwille van de lieve vrede dat Clara zich daarbij neergelegd zou hebben.

Deugdzaam mutsje

Zo ook zou ze haar kledingstijl hebben aangepast aan de wensen van Robert – en de verwachtingen aangaande haar nieuwe status als echtgenote. Droeg de jonge pianiste op een vroeg schilderij nog een witzijden jurkje ‘met een inkijkje’, dan zou ze voor latere portretten ‘op bevel van haar echtgenoot’ hooggesloten donkere jurken dragen en een deugdzaam mutsje dragen’. ‘Van de stralende jonge vrouw die aan de vleugel de wereld wilde veroveren, valt nauwelijks nog iets te bespeuren.’

Tekening door Wilhelm Hensel, 1847.

Op de portrettekening van 1847 gemaakt door de echtgenoot van Fanny Hensel-Mendelssohn valt Christine Eichel bovendien Clara’s ‘neergeslagen blik’ op, ‘alsof direct oogcontact ongepast is’. ‘Ze maakt een bescheiden indruk, ingetogen, met haar hoofd lichtjes opzij gebogen en een vaag aangeduide glimlach.’ Maar dat zou volgens Eichel slechts schijn zijn: ‘In werkelijkheid is er een roos van staal tot bloei gekomen. Want de vrouw die daar voor Wilhelm Hensel poseert, lijkt nauwelijks nog op de pasgetrouwde Clara. (…) Intussen is ze weer thuis op de grote concertpodia van Europa, gaat uitgebreid op tournee en treedt op voor gekroonde hoofden.’ 

Toch had ze dergelijke portretten met een vrouwelijk imago nodig, want ‘een reputatie van zelfbewuste manager of zelfs van manwijf zou haar alleen maar hebben geschaad’. Het vrouw-zijn was in de concertwereld haar beste troef. In 1853 is ze op een schilderij van Jean-Joseph Bonaventure Laurens overigens opnieuw te zien met een wit mutsje.

Portret door Jean Joseph Bonaventure Laurens, 1853.

In het bekendere portret van de hand van Franz von Lenbach van 1878 (zie hoger) kijkt Clara ons daarentegen minzaam tegemoet ‘als een ongewoon benaderbare oudere vrouw, die ondanks enkele tekenen van ouderdom iets meisjesachtigs heeft bewaard. (…) Hij portretteert haar als vrouw, als mens, zonder enige verheerlijking.’

Domesticatie

Ik vond die aandacht van Eichel voor de iconografie origineel en verhelderend. De heer Hill uit Düsseldorf vraagt echter bewijzen, inzonderheid over ‘het brave witte kanten mutsje’, dat volgens Eichel dient ter ‘domesticatie’. Dat mutsje komt herhaaldelijk terug in de biografie, maar op de weinige portretten die in het boek zijn afgedrukt, is het helaas niet te zien. Dan maar gezocht op het net. Ik kende al zeer veel afbeeldingen van Clara, en ook die met het bewuste mutsje moet ik wel al eens gezien hebben. Maar blijkbaar hebben ze geen blijvende indruk nagelaten – misschien omdat andere biografen ze toch niet zo relevant vonden en er nauwelijks of zelfs geen aandacht aan besteedden?

Minstens zo jammer is het dat Clara’s composities wat onderbelicht blijven. Niet dat ze geheel onvermeld blijven, maar ze worden zeker niet allemaal uitgebreid besproken. Terechte aandacht daarvoor had eventueel ondervangen kunnen worden met een lijst achteraan in het boek – zoveel zijn het er nu ook weer niet. Een gemiste kans. 

Verandering van perspectief

Maar goed, daar was het de biografe, hoewel ze zelf piano speelt, minder om te doen. ‘Er is hoe dan ook een verandering van perspectief nodig om op waarde te kunnen schatten wat Clara in de loop van haar leven heeft bereikt’, besluit ze. ‘Tot de kern van haar prestatie kun je pas doordringen door het verschuiven van de blik van een “werkgeschiedenis” naar een geschiedenis van cultureel handelen.’ 

In de eerste plaats wilde ze dus – eens te meer en op een hedendaagse en vlot leesbare manier – aantonen hoe uniek en invloedrijk Clara Schumann in de muziekwereld wel was. Daar is ze zeker in geslaagd. Eichel mag haar ‘heldin’ dan wel bekijken met een 21ste-eeuwse feministische bril, Clara Schumanns levenswerk getuigt van ‘een genderonafhankelijke kwaliteit’.

___________________

  • Christine Eichel: Clara – Het leven van Clara Schumann: wonderkind, carrièrevrouw, cultureel icoon, Uitgeverij Omniboek, 2025, 348 p.
  • Oorspronkelijke uitgave: Clara. Künstlerin, Karrierefrau, Working Mom: Clara Schumanns kämpferisches Leben, Siedler Verlag, 2024, 432 p.
  • Duitse voorpublicatie en interview met Christine Eichel.
  • Beluister hier ook mijn boekbespreking in Pompidou op Klara, 26.6.2025.



‘Eindelijk een vrouwelijk genie’: Pauline Viardot-García

Notities Posted on 7 maart 2021 18:02

Op mijn piano staat werk van een componiste van wie ik nog nooit iets gespeeld heb: Pauline Viardot-García. Het is hét moment om dat nu wel te doen en uitgebreid met haar kennis te maken: Pauline werd 200 jaar geleden geboren. Deze in haar tijd wereldberoemde Parijse mezzosopraan zal dit jaar vermoedelijk niet zoveel aandacht krijgen als haar collega en vriendin Clara Schumann in haar herdenkingsjaar 2019. Toch verdient ze het om uit de schaduw van de muziekgeschiedenis gehaald te worden. Liszt noemde haar het eerste ‘vrouwelijke genie’, Wagner schreef haar aan als ‘Meistersängerin’, Berlioz noemde haar ‘een van de grootste artiesten uit de muziekgeschiedenis’. En net zoals Clara Schumann was ze met haar vele connecties een spilfiguur in het muziekleven. Of zelfs het cultuurleven in het algemeen, met aan haar zijde haar man Louis Viardot en de Russische schrijver Ivan Toergenjev.

Veel keuze had ik niet bij mijn vastberaden voornemen om Pauline Viardot-García te leren kennen via de piano. Slechts twee werken voor piano solo zijn er van haar overgeleverd (*): de 2 Pièces Gavotte et Sérénade. ‘Haar’ instrument komt wel prominent en virtuoos naar voren in de vele liederen die ze gecomponeerd heeft. De piano had dan ook geen geheimen voor haar, want eigenlijk zag het er aanvankelijk naar uit dat ze een pianocarrière zou uitbouwen. Als jong meisje studeerde ze piano bij onder meer de tien jaar oudere Franz Liszt – op wie ze meteen zo verliefd werd dat haar handen ervan trilden – en wellicht ook compositie bij Anton Reicha. Maar noodlottige omstandigheden deden haar rond haar zestiende een ander muzikaal pad inslaan.

Pauline werd op 18 juli 1821 in Parijs geboren in een muzikaal gezin. Genialiteit leek er, in de woorden van Liszt, erfelijk. Haar moeder Joaquina Sitches was een Spaanse actrice en sopraan. Haar vader was de gerenommeerde Spaanse tenor en componist Manuel García voor wie zijn vriend Gioachino Rossini de rol van graaf Almaviva in De barbier van Sevilla schreef. Dat was in 1825 de eerste Italiaanse opera die werd opgevoerd in New York, met zowat het hele gezin García op de planken: naast Manuel ook zijn vrouw Joaquina in de rol van huishoudster Berta, zijn 20-jarige zoon Manuel jr. als de kapper Figaro en zijn 17-jarige dochter Maria als Rosine. De overige leden van het gezelschap waren allemaal Italianen. Later op het seizoen traden de vier gezinsleden ook op in Mozarts Don Giovanni, die in New York eveneens voor het eerst werd opgevoerd, in aanwezigheid van librettist Lorenzo Da Ponte.

Manuel García in de rol van Otello.
Manuel García in de rol van Otello.

De vierjarige Pauline was in New York nog te klein om te delen in het succes van haar gezin, maar tijdens de lange overtocht naar Amerika kreeg ze toch al haar eerste zanglessen van haar vader. ‘Ik heb het geleerd op een zeilboot, zonder piano, eerst in mijn eentje, toen met twee stemmen en later met drie’, herinnerde Pauline zich vele jaren later nog. ‘Mijn vader schreef enkele korte canons en die zongen we elke dag. En elke avond op de brug tot groot genoegen van de bemanning.’ Trouwens, op haar achtste zong ook zij al voor Rossini. Toen ze tien was, begeleidde ze aan de piano de volwassen leerlingen van haar vader. Ze luisterde tijdens die lessen naar de muzikale adviezen van haar ouders en genoot zo onbedoeld mee een zangopleiding. Maria verklaarde dat haar tienjarige zusje met haar talent hen allen snel zou doen vergeten. Op heel jonge leeftijd sprak Pauline ook al vloeiend Spaans, Frans, Engels en Italiaans – waar later ook nog Russisch bij kwam. 

Maria Malibran

Anders dan tegenover Pauline was vader Manuel tegenover zijn vrouw en oudste twee kinderen vrij tiranniek. Maria ontworstelde zich al vroeg aan zijn dominantie door te trouwen met de veel oudere New Yorkse bankier van Franse herkomst Eugène Malibran, die haar vader daarvoor een serieus bedrag betaalde. Onder de naam Maria Malibran oogstte ze overal waar ze optrad stormachtig applaus, zoals in La Scala in Milaan met de hoofdrol in Bellini’s Norma.

Maria Malibran als Desdemona, geportretteerd door François Bouchot.
Maria Malibran als Desdemona, geportretteerd door François Bouchot.

Toen Manuel in 1832 onverwacht overleed, nam Maria haar zusje onder haar muzikale vleugels. Maria woonde intussen met haar tweede man, de Belgische violist Charles de Bériot, in Brussel (eerst in Sint-Gillis, later in wat nu het gemeentehuis van Elsene is). De Revue et Gazette Musicale de Paris maakte in 1836 melding van het ‘briljante’ concert waarop de 15-jarige Pauline in Luik debuteerde als pianiste met aan haar zijde haar zus en haar schoonbroer. De toekomst zag er veelbelovend uit voor dat trio. Maar enkele weken later maakte Maria in Regent’s Park in Londen een val van haar paard. Twee maanden later zakte ze vlak na een concert in Manchester in elkaar, wellicht nog een gevolg van die noodlottige val. Ze was 28 jaar. (Meer over Maria Malibran op de blog van Jan Lampo.)

Moeder Joaquina, die na de dood van vader Manuel al naar voren getreden was als manager van Pauline, kon het idee niet verdragen dat er geen enkele García meer zingend op de planken zou staan – ook Paulines broer Manuel had intussen afscheid genomen van de bühne om zich in Londen volledig aan het lesgeven te wijden. Joaquina bewoog Pauline er daarom toe de piano te laten en in de voetsporen van haar legendarische zus te treden.

In 1837 debuteerde ze als zangeres in Brussel tijdens een concert van de Bériot, een jaar later ondernam ze samen met hem en haar moeder een concertreis door Duitsland. Ze vertolkte toen ook Spaanse liederen (o.m. van haar vader) en eigen composities, waarbij ze zichzelf begeleidde op de piano. In Leipzig leerde ze Felix Mendelssohn, Clara Wieck en Robert Schumann kennen. Schumann publiceerde een van haar liederen in zijn Neue Zeitschrift für Musik en droeg zijn Heine-Liederkreis (opus 24) aan haar op.

Tijdens haar debuut in Parijs in 1838 droeg ze dezelfde witte jurk met een zwarte diamant die haar zus ook had gedragen. En al was ze lang niet zo knap als haar zus, voor het publiek leek het alsof La Malibran weer tot leven gekomen was. Net als haar zus vertolkte Pauline, in 1839 in Londen en Parijs, de rol van Desdemona in Rossini’s Otello. Door haar stembereik van drie octaven en haar muzikale veelzijdigheid baarde ze veel opzien.

George Sand

George Sand, geportretteerd door Auguste Charpentier (ca. 1835).
George Sand, geportretteerd door Auguste Charpentier (ca. 1835).

Tot haar eerste grote bewonderaar/ster/s behoorde George Sand, die een belangrijke raadsvrouw zou worden. Pauline noemde de 17 jaar oudere schrijfster haar ‘moederlijke en beste vriendin’. In de jaren 1840 was Pauline geregeld te gast bij Sand in Nohant. Ze zong dan vaak onder begeleiding van Sands toenmalige partner Frédéric Chopin, die eveneens erg onder de indruk was van haar talent. Pauline bewerkte 12 mazurka’s van Chopin voor piano en zang, op gedichten van Louis Pomey (luister bv. naar Aime-moi). Samen met Sand compileerde en bewerkte ze ook Franse chansons. Pauline stond model voor de heldin in Sands roman Consuelo (1843).

Ook de dichter Alfred de Musset was net zoals van La Malibran een hevige fan van Pauline – ‘ze zingt zoals ze ademt’ – en hoopte zelfs op een huwelijk. Maar Sand deed er alles aan om Pauline en haar moeder dat af te raden. Zij zag in Louis Viardot, op dat moment directeur van het Théâtre-Italien in Parijs, een veel betere partij voor haar protegee.

Louis Viardot

Louis Viardot.
Louis Viardot.

Ondanks een leeftijdsverschil van 21 jaar trad Pauline Viardot in 1840 inderdaad in het huwelijk met Louis Viardot, een 19de-eeuwse uomo universale. Hij was jurist van opleiding, schreef gepassioneerde boeken over de jacht, reisgidsen over o.m. Spanje en museumgidsen (voor Hachette), was literair vertaler (o.m. van Don Quichotte van Cervantes), journalist, operadirecteur, kunstkenner, -criticus en -verzamelaar. Politiek liet hij zich opmerken als een republikeinse activist. Later manifesteerde hij zich als een uitgesproken tegenstander van Napoleon III en stelde hij zich ook kandidaat bij verkiezingen. Alleen terwille van Paulines carrière hield hij zich nog – min of meer – gedeisd. Om niet beticht te worden van belangenvermenging had hij al meteen na hun huwelijk ontslag genomen als operadirecteur. Hoe dan ook waren allerlei kunstzinnige rivaliteiten en politieke intriges de reden waarom Pauline lange tijd niet meer aan de bak kwam in haar thuisstad. George Sand raadde haar daarom aan eerst carrière te maken in het buitenland, zodanig dat het Parijse publiek haar uiteindelijk zou smeken terug te keren. 

Clara Schumann

Louis was een uitgesproken voorstander van gelijke rechten voor mannen en vrouwen. Meer zelfs, hij zou zich zijn leven lang ten dienste stellen van zijn vrouw en haar altijd vergezellen op haar tournees door heel Europa tot in Rusland. De ondergeschikte rol die hij aannam, was zeer opmerkelijk voor die tijd. In dat opzicht was hun relatie geenszins te vergelijken met die van het bevriende echtpaar Schumann-Wieck. Clara Wieck was voor haar huwelijk, eveneens in 1840, net zoals Pauline García nog een grote vedette. Maar, zo hield Robert Schumann haar voor: ‘Het eerste jaar van ons huwelijk móét je de kunstenares vergeten, mag je niet anders leven dan voor je huis en je man. Nee, de vrouw staat toch nog hoger dan de kunstenares.’

Robert en Clara Schumann.
Robert en Clara Schumann.

Bovendien vond Robert dat hij als scheppend kunstenaar belangrijker was dan Clara als uitvoerster. Daar was Pauline het geenszins mee eens. Net zoals Liszt wees ze een dergelijk hiërarchisch onderscheid tussen componeren en uitvoeren resoluut af. Zo schreef ze in 1848 aan Clara: ‘Je hebt er geen idee van hoe druk ik het nu heb. Je weet niet hoeveel werk elke aparte rol met zich meebrengt – de theaterkunstenaar moet voortdurend creëren – hij moet menselijke, levendige, voelende, gepassioneerde, volmaakte, natuurgetrouwe figuren tot in de kleinste details bedenken en presenteren aan het publiek. Ik vereer de scheppende meester, met vlak naast hem de uitvoerende kunstenaar. Beiden zijn onafscheidelijk. Want elk voor zich blijft stom, en samen creëren ze het hoogste en meest nobele genot van de mens, de kunst.’ De uitvoering was volgens Pauline met andere woorden een noodzakelijk onderdeel van het werk.

Ivan Toergenjev

Vanwege Pauline zou er nooit sprake zijn van sterke romantische gevoelens voor Louis, maar zoals koppelaarster Sand goed had ingeschat, was dit verstandshuwelijk wel van onschatbare waarde voor haar carrière.

Samen reisden ze naar Rome, Milaan, Londen, Spanje, Wenen, Praag, Berlijn,… In 1843 gingen ze de eerste keer naar Rusland. Pauline had een contract met een zeer hoge gage gekregen voor het herfstseizoen in Sint-Petersburg. Er zouden er nog twee volgen. In die periode heerste in Rusland een rage rond Italiaanse opera en Pauline oogstte enorme successen als prima donna. Als eerste buitenlandse vertolkte ze ook Russische liederen, waarvoor ze les Russisch ging volgen om haar uitspraak te vervolmaken. Ze werd een belangrijk ‘doorgeefluik’ voor Russische muziek naar het Westen – en vice versa.

Ivan Toergenjev, geportretteerd door Ilja Repin (1874).
Ivan Toergenjev, geportretteerd door Ilja Repin (1874).

Dat had ook te maken met haar kennismaking met de Russische schrijver Ivan Toergenjev, net zoals haar man liefhebber van de jacht. Toen hij haar in 1843 voor het eerst ontmoette, koesterde hij meteen diepe gevoelens voor haar. Hij zou niet meer uit haar leven verdwijnen, al varieerde hun relatie tussen vriendschap, liefde, obsessie, frustratie en artistieke zielsverwantschap. Toergenjev trok regelmatig in bij de Viardots, onder andere in hun landhuis in Courtavenel ten zuidoosten van Parijs, of zou naast hen komen wonen, zoals in Baden-Baden en Bougival. Hij behandelde hun kinderen ook als de zijne. Het gerucht ging zelfs dat hij de vader was van Paulines jongste zoon Paul. De jongeman, die zou uitgroeien tot een bekende violist, kreeg van Toergenjev in ieder geval een Stradivarius cadeau. Paulines jongste dochter Claudie was Toergenjevs petekind – al werd over haar dan weer gefluisterd dat ze de dochter was van Charles Gounod. Paulines oudste dochter Louise hield hoe dan ook vol dat er bij haar moeder nooit sprake was geweest van echte liefde voor Toergenjev.

Toen de Viardots in 1843 vertrokken uit Sint-Petersburg, arriveerden Clara en Robert er. ‘Ik laat jullie nu Clara Schumann. Haar gezang aan de piano is beter dan het mijne’, liet Pauline optekenen. Clara noteerde in haar dagboek dat ze ‘allervriendelijkst’ ontvangen werden. En: ‘Pauline liet me haar mooie geschenken zien: sabelbont, Turkse omslagdoek en flink wat geslepen diamanten, allemaal van het hof, met name van de tsaar en de tsarina.’ Ook Clara zou in Sint-Petersburg succes kennen, maar Robert voelde zich ellendig en bleef bijna de hele tijd op hun hotelkamer.

De ziel van de opera

Pauline Viardot als Fidès in Le prophète van Meyerebeer.
Pauline Viardot als Fidès in ‘Le prophète’ van Giacomo Meyerbeer.

Toen Pauline terug in Parijs was, ging ze een intensieve samenwerking aan met Giacomo Meyerbeer. Om de in geldnood verkerende Opéra er weer bovenop te helpen, eiste Meyerbeer dat Pauline de hoofdrol zou krijgen in zijn nieuwe opera. Voor haar schreef hij de rol van Fidès in Le prophète (1849). Het werd inderdaad een eclatant succes. Pauline werd bij de première wel tien keer teruggeroepen. Hector Berlioz vond dat ze blijk gaf ‘van een acteertalent dat niemand in Frankrijk bij haar voor mogelijk had gehouden. Al haar poses, gebaren, gezichtsuitdrukkingen en zelfs haar kostuums ademen grote klasse. Wat betreft de perfectie van haar zang, haar buitengewone stembeheersing, haar muzikale zelfvertrouwen – dat zijn zaken die iedereen nu bekend zijn en waardeert, zelfs in Parijs. Madame Viardot is een van de grootste artiesten uit de muziekgeschiedenis.’

Haar invloed op Meyerbeer bij het schrijven van de opera was eveneens ongezien. De Londense criticus Henry Chorley, die de repetities bijwoonde, vond dat de laatste versie van Le prophète bijna evenzeer te danken was aan Pauline als aan Meyerbeer. En componist Ignaz Moscheles oordeelde: ‘Zij is de dirigent, toneelmeester – kortom, de ziel van de opera. Het succes is minstens voor de helft aan haar te danken.’

Meyerbeer was zich bewust van de waarde van Pauline. Niet alleen had hij de operadirectie ertoe kunnen bewegen haar hoge eisen inzake haar gage in te willigen, in andere steden wilde hij zijn opera ook alleen maar laten opvoeren met haar als Fidès. Wanneer hijzelf de repetities niet kon bijwonen, zoals in Londen in 1849, dan vertrouwde hij zijn ‘kapitein’, zoals hij haar noemde, het toezicht toe. Le prophète kende meer dan 200 opvoeringen in alle grote theaters van Europa.

Orpheus als vrouw

Orpheus in 'Orphée et Eurydice' van Berlioz.
Pauline Viardot als Orpheus in ‘Orphée et Eurydice’ van Hector Berlioz.

In 1855 vroeg Verdi haar in te vallen voor een zieke zangeres. In enkele dagen tijd leerde ze de rol van Azucena in Il Trovatore. Na de Opéra in Parijs zong ze die rol ook in Covent Garden. Ze verzorgde ook de Engelse première van Verdi’s Lady Macbeth, waarvoor ze de componist eigen transcripties had bezorgd voor haar lage stem. Tegelijkertijd repeteerde ze er voor Don Giovanni van Mozart.   

Op het hoogtepunt van haar carrière vertolkte ze de rol van Orpheus in Orphée et Eurydice van Hector Berlioz, een bewerking van Glucks Orfeo ed Euridice. In de versie van Gluck was die nog weggelegd voor een castraat of hoge tenor, maar die waren steeds moeilijker te vinden. Berlioz herschreef de rol van Orfeo met mezzosopraan Pauline voor ogen. De rol van Orpheus als verzinnebeelding van de kunstenaar werd dus niet gezongen door een man. Of hoe Pauline mooi illustreerde dat ook zij als vrouw die idee kon incarneren.

Na de première in november 1859 zouden in drie jaar tijd in het Théâtre Lyrique nog circa 140 voorstellingen volgen, een ongemeen hoog aantal, dat alleen overtroffen zou worden door Gounods Faust. ‘Dit is zonder twijfel de zuiverste en meest volmaakte artistieke prestatie die we de laatste halve eeuw hebben mogen aanschouwen’, jubelde George Sand. Gustave Flaubert sprak van ‘een van de meest indrukwekkende dingen die ik ken’. Ook Marie d’Agoult, voormalig partner van Liszt, schreef in haar dagboek dat ze nog nooit zoiets gezien had. Charles Dickens, vriend des huizes, was tot tranen toe geroerd. En criticus Chorley oordeelde: ‘Het valt te betwijfelen of er ooit zo’n volmaakte belichaming van Orpheus als Madame Viardot op de planken te zien is geweest. Haar onregelmatige trekken en weinig bevallige verschijning versterkten de trieste en ernstige uitdrukking van de rouwende.’

Kostelijk lelijk

Pauline Viardot geportretteerd door Ary Scheffer (ca. 1841).
Pauline Viardot geportretteerd door Ary Scheffer (ca. 1841).

Paulines uiterlijk was wel vaker onderwerp van gesprek. De prima donna was volgens velen geen schoonheid. De Russische minister van Buitenlandse Zaken noemde haar brutaalweg ‘kostelijk lelijk’. Dichter Heinrich Heine vond haar zo onaantrekkelijk dat ze weer ‘bijna mooi’ werd. 

De Amerikaanse schrijver Henry James beschreef haar als ‘een hoogst fascinerende vrouw. Ze is zo lelijk dat het lijkt alsof haar ogen aan de zijkant van haar hoofd staan en er geen einde komt aan haar bovenlip, en toch is ze tegelijk bijzonder knap, of anders tenminste in de zin van de Franse kwalificatie très belle.’

Haar opvallend lange nek, grote uitpuilende ogen en zware oogleden gaven haar een exotisch uiterlijk, wat ze met haar Spaanse roots ook wel enigszins wás. Ze ging trouwens graag mee in het waarschijnlijk verzonnen verhaal van haar vader dat hij zigeunerbloed had. Hoe dan ook deed ze met haar gracieuze glimlach, haar intelligente blik en levendig en expressief karakter menig mannenhart op hol slaan. 

Berlioz en Gounod

Scène uit 'Sapho' van Charles Gounod.
Scène uit ‘Sapho’ van Charles Gounod.

Zo hoopten bijvoorbeeld de jonge componisten Hector Berlioz en Charles Gounod, wier carrière Pauline mee hielp te lanceren, op meer dan een louter professionele samenwerking. Pauline dweepte met de knappe en charmante Gounod, die ze ‘de Franse Mozart’ noemde, en werkte samen met hem aan zijn opera Sapho – al minimaliseerde hij haar bijdrage omdat hij zich geneerde voor de hulp van een vrouw. Terwijl Pauline in Berlijn was, liet ze hem verder werken in haar buitengoed in Courtavenel, waar op dat moment ook de wanhopige Toergenjev verbleef. Toen Gounod zijn huwelijk aankondigde met de dochter van zijn pianoleraar aan het conservatorium, kwam het (tijdelijk) tot een harde breuk.

Voor Berlioz was Pauline dan weer een klankbord toen hij in een huwelijkscrisis verkeerde. Ten tijde van hun werk aan Orphée et Eurydice gingen er dagelijks (intieme) brieven over en weer tussen hun beider woningen in Parijs. Toen Berlioz enkele jaren later Glucks Alceste bewerkte, weigerde hij echter de partituur aan te passen zodat die voor Pauline, wier stem intussen achteruitgegaan was, makkelijker zou zijn. Alceste ging in 1861 wel in première mét Pauline, maar hun verhouding was ernstig bekoeld. Berlioz was er ook niet over te spreken dat Pauline tijdens een muziekavondje samen met Richard Wagner het liefdesduet uit Tristan und Isolde zong, terwijl ze altijd beweerd had dat Wagners muziek haar totaal niet aansprak en ze zijn antisemitisme verafschuwde.

Pauline noemde Berlioz niettemin een van haar vier ‘ware vrienden’, naast George Sand, Ivan Toergenjev en de Nederlands-Franse kunstschilder Ary Scheffer. Toen Scheffer in 1840 kennisgemaakt had met Pauline en Louis Viardot hem achteraf vroeg wat hij van zijn bruid vond, antwoordde hij: ‘Vreselijk lelijk, maar als ik haar terug zou zien, zou ik smoorverliefd op haar worden.’ Scheffer schilderde een portret van Pauline dat volgens Camille Saint-Saëns ‘het enige [is] dat deze weergaloze vrouw waarheidsgetrouw toont en een indruk biedt van haar vreemde en sterke aantrekkingskracht’. 

Baden-Baden

Concert in het operahuis van Pauline Viardot in Baden-Baden (houtsnede van Ludwig Pietsch, 1865).
Concert in het operahuis van Pauline Viardot in Baden-Baden (houtsnede van Ludwig Pietsch, 1865).

In 1863 nam Pauline afscheid van de opera en verruilde ze, mede om politieke redenen, Parijs voor Baden-Baden, een kosmopolitisch, progressief kuuroord net over de grens in Duitsland waar veel Fransen maar ook Russen zich ophielden. Met het vele geld dat ze verdiend had, kon ze er voor haar gezin van vier kinderen een mooie villa bouwen. In de tuin liet ze een klein operahuis annex kunstgalerie optrekken, waar plaats was voor haar orgel van Cavaillé-Coll en Louis’ kunstverzameling (o.a. Velázquez en Ribera). Hét pronkstuk was echter het ‘schrijn’ waarin Pauline het manuscript bewaarde van Mozarts Don Giovanni, dat ze op de kop getikt had bij een veiling in Londen voor de prijs van een van de Rembrandts van de Viardots en enkele van haar juwelen. In 1892 schonk ze dat manuscript van onschatbare waarde aan de bibliotheek van het conservatorium van Parijs.

Villa Tourgeniev in Baden-Baden.
De villa van Ivan Toergenjev in Baden-Baden.

Ook Toergenjev liet in Baden-Baden met een lening van de Viardots een huis optrekken, vlak naast de Viardots. In het naburige dorp Lichtenthal betrok Clara Schumann, intussen weduwe met zeven kinderen, in de zomers van 1863 tot 1873 een vakantiehuis, waar ook Johannes Brahms over de vloer kwam. Clara en Johannes bezochten geregeld de concerten in Paulines salon.

Eerste vrouwelijk genie

Pauline legde zich in Baden-Baden toe op lesgeven én op componeren. In het bijzonder Liszt moedigde haar daar sterk toe aan. In het Neue Zeitschrift für Musik had hij in 1859 al vol lof over haar geschreven: ‘Uit haar werk spreekt zo veel tederheid en fijnzinnigheid, zo veel gevoel voor harmonische subtiliteit (veel beroemde componisten zouden haar enorm benijden), dat we het moeten betreuren dat Mme. Viardot haar talenten als componiste niet verder ontwikkeld heeft; we hopen dan ook dat deze geniale vonken, die zo dicht bij de inspiratie van Chopin liggen, zich tot een waar vuur mogen ontwikkelen.’ Liszt vond dat de wereld met Pauline eindelijk een ‘eerste vrouwelijk genie’ onder de componisten telde. Ook Toergenjev deed er alles aan om haar werk te promoten.

Begrijpelijkerwijze bestaat haar oeuvre voornamelijk uit vocale werken, echter meestal met pianobegeleiding. Die is vaak niet eenvoudig, wat getuigt van haar vrijwel virtuoze beheersing van het instrument dat ze in haar jonge jaren had laten schieten. Er zijn circa 100 liederen met pianobegeleiding bekend, waarvan een groot aantal nog tijdens haar leven is uitgegeven in bundels zoals Album de M.me Viardot (1843) en 10 Mélodies de Pauline Viardot (1850), samen heruitgegeven als Mélodies de M.me Pauline Viardot (1860).

Europese ambassadrice

Pauline Viardot streefde geen eenduidige persoonlijke stijl na, oordeelt de Duitse musicologe Beatrix Borchard. Evenmin was het haar erom te doen een meesterwerk met tijdloze waarde te componeren. Muziek was voor haar een communicatiemiddel tussen verschillende muzikale culturen. Ze citeerde, parodieerde en imiteerde, en dat in een ‘muzikale meertaligheid’, aldus Borchard. Ze wilde vooral de verschillende muziekculturen weergeven en dat deed ze aan de hand van Duitse Lieder en ballades, Franse chansons, romances en mélodies, en niet te vergeten Russische romances. Voor haar Canti popolari toscani zette ze dan weer teksten uit Toscane op muziek. Enkele Chansons espagnoles van haar vader voorzag ze van een pianobegeleiding. Voor de Duitse teksten van haar eigen liederen deed ze o.m. een beroep op Eduard Mörike, Johann Wolfgang von Goethe en Ludwig Uhland. De Franse teksten haalde ze o.m. bij Alfred de Musset, Victor Hugo, Théophile Gautier, Sully Prudhomme en Jean de la Fontaine. Voor de Russische keek ze naar Aleksandr Poesjkin en uiteraard Ivan Toergenjev.

Bovendien werkte ze, net zoals Toergenjev, samen met uitgeverijen in Frankrijk, Duitsland en Rusland, zodat haar werk breed verspreid kon worden. We kunnen haar gerust een Europese ambassadrice van de muziek noemen. ‘Pauline Viardot leefde niet in Frankrijk, in Duitsland, in Rusland, in Engeland, ze leefde in Europa’, aldus Borchard. Dat komt op een uiterst boeiende manier ook tot uiting in Europeanen (2019), de zeer lezenswaardige, vuistdikke ‘biografie’ van de 19de eeuw van Orlando Figes, waarin Pauline en Louis Viardot en Ivan Toergenjev de hoofdrollen spelen.

Zangmethode-García

Une heure d'étude - Exercices pour voix de femme - Ecrits pour ses élèves.
Une heure d’étude – Exercices pour voix de femme.

Naast haar eigen liederen bewerkte Pauline Viardot composities van haar collega’s. We noemden al de bewerkingen van de mazurka’s van Chopin. Daarnaast verzorgde ze een uitgave van 50 Mélodies de Franz Schubert, die ze voorzag van de Duitse originele teksten met Franse vertalingen. 

Veel aanzien verwierf ze ook met L’école classique du chant, een bloemlezing van uiteindelijk 300 liederen en aria’s uit opera’s, oratoria en cantates uit de 17de tot de 19de eeuw, met pianobegeleiding én zangtechnische aanwijzingen. Dit groeide uit tot een standaardwerk, dat tot in de 20ste eeuw gebruikt werd als handboek op het conservatorium van Parijs. Daar gaf Pauline ook zelf les, van 1871 tot 1875.

Daarnaast legde ze de zogenaamde zangmethode-García vast in Une heure d’étude, eveneens een verzameling van liederen en aria’s met commentaren en notities voor de uitvoering ten behoeve van de conservatoriumstudenten. Samen met haar eigen composities en bewerkingen vormen deze uitgaven een belangrijke bron voor de uitvoeringspraktijk van de 19de eeuw. Ook Paulines broer Manuel, gevierd docent aan de Royal Academy of Music, schreef een belangrijke lesmethode. Hij vond ook de laryngoscoop uit, een instrument waarmee met een klein spiegeltje naar het strottenhoofd en de stembanden gekeken kan worden.

De laatste tovenaar

Paulines leerlingen omschreven haar als streng en veeleisend, maar ze trok veel tijd voor hen uit en steunde hen bij de uitbouw van hun loopbaan met adviezen en het inzetten van haar eigen contacten. Vanuit een besef van haar eigen kunnen had ze voor zichzelf altijd een goede verloning geëist en ze raadde ook haar leerlingen aan nooit voor niets te zingen. 

Bijzonder in haar pedagogische aanpak zijn de operettes die ze componeerde voor uitvoering met haar leerlingen én haar eigen kinderen. Zo schreef ze in Baden-Baden op een libretto van Toergenjev de salonopera’s Trop de femmes (1867), L’ogre (1868) en Le dernier sorcier (1869). Voor Le conte de fées (1879) en Cendrillon (1904) schreef ze later zelf de tekst.

Programma van Le dernier sorcier.
Programma van ‘Le dernier sorcier.’

Toergenjev schreef de rollen in Le dernier sorcier helemaal toe op het vrouwelijke gezelschap van Paulines leerlingen en dochters Louise, Claudie en Marianne. De enige mannelijke uitvoerders waren Paulines zoon Paul en de hoofdrol van de tovenaar Krakamiche, waarvoor Toergenjev een vriend engageerde. Pauline begeleidde aan de piano.

Le dernier sorcier ging in première in 1867 in de villa van Toergenjev. Twee jaar later, bij de opening van het kleine Théâtre du Thiergarten, dat Pauline nog bijkomend liet bouwen in haar tuin, speelde Toergenjev de hoofdrol in een gala-uitvoering. Omdat hij niet kon zingen, werd hij geplaybackt vanuit de coulissen. Onder het dertigtal toeschouwers bevond zich Brahms, die enige tijd later ook nog een uitvoering met kamerorkest zou dirigeren.

Keizer Willem en Napoleon III

Clara Schumann reageerde enthousiast op de operettes van haar vriendin: ‘Ik vond weer bevestigd wat ik altijd gezegd heb: ze is de geniaalste vrouw die ik ooit ontmoet heb.’ Maar tegenover Brahms liet ze ook verstaan dat ze zich niet erg thuis voelde in de deftige kringen waarin ‘snob’ Pauline zich bewoog. Andere gasten in de concertzaal van de – nochtans republikeinse – Viardots waren onder meer de Pruisische koningin Augusta en haar gemaal koning (en later keizer) Willem, koningin Sophie van Nederland, de Russische grootvorstin Jelena Pavlovna en de Franse keizerin Eugénie, echtgenote van Napoleon III.

Toergenjevs vatte zijn teksten op als satires, waarbij Krakamiche een parodie was op Napoleon III. Voor de half openbare opvoeringen door jeugdige uitvoerenden werden de scherpe kantjes er wel afgevijld en erotische toespelingen achterwege gelaten.

Op vraag van de groothertog van Weimar en met de hulp van Liszt kreeg deze kameropera ook nog een Duitse versie voor professionele zangers en zangeressen, orkest en ballet. Maar de critici waren niet onverdeeld enthousiast over Der letzte Zauberer, die in 1869 uitvoeringen kende in Weimar, Karlsruhe en Riga. De vertaling had niets meer van de lichtheid van het origineel, en de logge orkestratie paste niet meer bij de originele opzet voor een privé-gezelschap.  

Vrouwenopera

Met uitzondering van Cendrillon verschenen de salonoperettes niet in druk – Pauline vatte ze immers op als werken die moesten ontstaan op de scène, waarbij ze veel ruimte liet voor improvisatie. Daardoor werd bv. Le dernier sorcier bijna anderhalve eeuw vergeten. Tot het Franse manuscript gecombineerd met de versie voor kamerorkest in 2005 in Engelse vertaling werd uitgevoerd in Canada.

In 2019 werd het werk voor het eerst opgenomen op cd. Daarvoor is teruggegrepen naar de oorspronkelijke versie voor piano, met de bindteksten eveneens vertaald naar het Engels. Een heel aangenaam sprookje om naar te luisteren, met goed verstaanbare recitatieven, een heldere pianopartij en een engelachtig koor van elfen. Heerlijk, eindelijk eens een vrouwenopera, jubelde een van de koormeisjes in het promofilmpje. Het cd-boekje heeft het zelfs over een ‘feministische eco-fabel’. De vrouwen zegevieren immers over de boosaardige tovenaar Krakamiche. 

Instrumentale werken

Cd Paul and Pauline Viardot.

Pauline Viardot heeft ook enkele instrumentale werken nagelaten. We noemden al de twee werken voor piano solo Gavotte en Sérénade. Daarnaast schreef ze voor piano en viool Six Morceaux (1868), die ze wellicht uitgevoerd heeft met haar zoon Paul (1857-1941). Die was behalve violist ook musicoloog en componist (o.m. Six Pièces, twee vioolsonates, en enkele concerti). Ook de oudste dochter Louise Héritte-Viardot (1841-1918) componeerde (o.m. drie pianokwartetten). Net zoals haar moeder was ze mezzosopraan en pianiste, en bovendien dirigente. Ze doceerde zang in Sint-Petersburg en kreeg dankzij Clara Schumann een aanstelling aan Dr. Hoch’s Konservatorium in Frankfurt. Paulines andere twee dochters, Claudie en Marianne, waren eveneens muzikaal. Claudie schilderde bovendien.

De Duitse dirigent Julius Rietz heeft Pauline aangemoedigd een symfonie te schrijven die hij als Hofkapellmeister in Dresden dan zou dirigeren. Maar zo ver is het nooit gekomen. Ook een opera geïnspireerd op George Sands roman Le mare au diable heeft ze niet afgewerkt. Louis Viardot schreef daarover aan Sand: ‘Pauline heeft zichzelf nooit echt als componiste gezien. Ze heeft enkel een redelijke hoeveelheid kortere muziekstukken geschreven, steevast wanneer zich daartoe de gelegenheid voordeed. (…) Maar als componiste is ze niet tot alles in staat. Zonder de juiste omstandigheden kan ze in haarzelf niet de muzikale ideeën vinden om álle thema’s recht te doen. (…) Pauline heeft het vaker en op verschillende momenten geprobeerd; maar ze was nooit tevreden over wat ze op papier kreeg en heeft deze vruchteloze pogingen verscheurd.’

In zijn brief stipte hij ook de hindernissen aan die vrouwen ervaarden om zogenaamd grote werken te componeren. Zo wees hij op het gebrek aan formeel muziekonderwijs voor meisjes. Ze hadden tot ver in de negentiende eeuw aan de meeste conservatoria geen toegang tot de compositievakken. Als ze al lessen harmonieleer mochten volgen, dan op een lager niveau dan hun mannelijke medestudenten. Ze kregen in de eerste plaats zang- en pianoles als voorbereiding op een carrière als uitvoerster of lesgeefster. Volgens een van haar leerlingen hield Pauline bij gebrek aan zelfvertrouwen haar composities lange tijd verborgen ‘als ging het om een misstap’.  

Nouvelle Athène

In 1870 dwong de Frans-Duitse oorlog de Viardots en Toergenjev weg te vluchten uit Baden-Baden. Ze verhuisden naar Londen, waar Pauline net als haar broer Manuel les ging geven. Ze hield echter niet van de stad. Na de val van Napoleon III vestigden Pauline en haar twee mannen zich definitief in Parijs. Het huis in Baden-Baden was grotendeels verwoest. De Cavaillé-Coll en de kunstcollectie verhuisden opnieuw naar de grand salon in hun chique woning in de rue de Douai in Nouvelle Athène, de kunstenaarsbuurt in Parijs. In de salon op de eerste verdieping, waar Paulines vleugel van Pleyel stond, ontving ze haar leerlingen. Aan de muren hingen portretten van Sand, Gounod, Saint-Saëns en Toergenjev, evenals een groot schilderij van Maria Malibran.

Toergenjev kreeg de kamers op de zolderverdieping toebedeeld, maar hij liet een ‘luisterbuis’ installeren naar Paulines leskamer zodat hij haar altijd kon horen terwijl hij schreef. Gaandeweg zat hij ook steeds vaker beneden bij Pauline en Louis. Hij maakte nu volwaardig deel uit van het gezin. De schijn werd niet meer hoog gehouden, hoewel de politie de Viardots schaduwde vanwege hun libertaire en linkse politieke opvattingen. 

Salon

Pauline Viardot aan haar orgel van Cavaillé-Coll in haar salon in de rue de Douai in Parijs (gravure van 1858).

Het is niet overdreven te stellen dat veel van de bekende opera’s en andere composities die nu nog steeds zo geliefd zijn, niet zouden zijn ontstaan zonder Pauline Viardots zangtalent, haar salon en haar connecties.

Waar de Viardots ook woonden, in Parijs, in Baden-Baden, in Londen, op hun eerste buitengoed in Courtavenel of later in Bougival, steeds was hun huis een aantrekkingspool voor musici, maar ook voor schilders, schrijvers en intellectuelen, zoals Ary Scheffer, Jean-Baptiste Corot, Eugène Delacroix, Gustave Doré, Emile Zola, Gustave Flaubert en Charles Dickens.

Twee keer per week hield Pauline salon waarop ze mecenassen, concertprogrammatoren en impresario’s, politici, uitgevers en critici uitnodigde. Zo hielp ze mee de carrière lanceren van Charles Gounod, Jules Massenet en Gabriel Fauré. Veel van hun kamermuziek was voor het eerst te horen bij de Viardots. Ook Richard Wagner, Édouard Lalo, Georges Bizet, Jules Massenet en César Franck frequenteerden de salon van Pauline.

Pauline Viardot in 1908.

Het huis van de Viardots fungeerde tegelijkertijd als een soort hoofdkwartier van de Société nationale de musique, opgericht door een groep Franse componisten die zich na de nederlaag tegen Pruisen in 1871 wilden bevrijden van de dominante Duitse traditie en zich onder het voorzitterschap van Saint-Saëns inzetten voor de ‘serieuze’ Franse muziek, in het bijzonder kamermuziek. Saint-Saëns droeg Samson et Dalila op aan Pauline, die in 1874 bij haar thuis de vrouwelijke hoofdrol zong, met de componist aan de piano. Drie jaar later ging het werk in Weimar in première – zonder Pauline, die in 1870 haar laatste concert voor publiek had gegeven met de première van Brahms’ zwaarmoedige Alt-Rhapsodie, zijn huwelijksgeschenk voor Clara Schumanns dochter Julie op wie hij heimelijk verliefd was.

Het Spaanse karakter van Lalo’s Symphonie espagnole, Bizets Carmen of Saint-Saëns’ El desdichado was uiteraard schatplichtig aan Paulines invloed. De jonge Fauré droeg zijn liederen opus 4 en 7 op aan Pauline, zijn opus 8 en 10 aan haar dochters Marianne en Claudie en zijn vioolsonate opus 13 aan haar zoon Paul. Fauré was ook een tijd verloofd met Marianne, maar zij verbrak de relatie. Van zijn Requiem wordt gezegd dat hij het componeerde als reactie.

De villa van Pauline Viardot in Bougival. © vja
De villa van Pauline Viardot in Bougival. © vja

Montmartre

Het jaar 1883 was een zwaar jaar voor Pauline. Ze verloor zowel haar man Louis als haar vriend voor het leven Ivan Toergenjev. Op haar 62ste vond ze dat haar leven nu ook voorbij was. Maar in de 27 jaar die nog volgden, kende ze nog een druk bestaan. Ze bleef verder lesgeven, componeren en salon houden, nu in haar appartement op de Boulevard Saint-Germain, waar ze woonde tot haar dood op 18 mei 1910. 

Buste in Baden-Baden.
Buste in Baden-Baden. © Gerd Eichmann

Pauline Viardot-García ligt begraven op het kerkhof van Montmartre. Haar villa in Baden-Baden is afgebroken, maar in de buurt van het stadsmuseum staat een buste van haar. De neoclassicistische Villa Viardot op het domaine des Frênes in Bougival (bij Versailles) wordt momenteel gerestaureerd. Ze maakt samen met de naastliggende Datcha Tourguéniev en La Maison Bizet deel uit van het Centre européen de musique. De opening was gepland voor 18 juli 2021, Paulines 200ste geboortedag, maar is uitgesteld.

_________
* Lezer Piet VL wees me inmiddels (januari 2025) op nog twee bewaard gebleven pianowerken: Deux Airs de Ballet en Mazourke. Partituren te vinden op free-scores.com.

* Meer lezen?
• Orlando Figes: Europeanen (2019)
Joie Davidov: Un Unofficial Marriage – A novel about Pauline Viardot and Ivan Turgenev (2021)
Programma van het feestjaar



Na de Klara Top 100 een Clara Top 50?

Notities Posted on 24 februari 2021 00:28

We kregen in het weekend van 20 en 21 februari een memorabele Klara Top 100. De luisteraar/ster/s hebben flink aan de muzikale boom geschud. Gedoodverfde klassiekers veerden op en neer, tal van ‘nieuwkomers’ buitelden de top binnen en bonjourden zelfs vaste waarden eruit. Hét nieuws was natuurlijk dat er voor het eerst werk van vrouwelijke componistes te horen was. En niet één werk, maar wel vier. Hoera! Is de strijd nu gestreden of zit er toch nog meer in? 


Helemaal onverwacht was die ‘doorbraak’ van vrouwelijke componistes in de Klara Top 100 niet. Klara had er vooraf nadrukkelijk op gewezen dat in de keuzelijst een pak vrouwen waren opgenomen. Eindelijk. Steekproefgewijs telde ik er zo’n 50 op 1.000. Da’s nog altijd maar 5 procent – maar ach, er waren in de muziekgeschiedenis nu eenmaal minder vrouwelijke componistes en hun oeuvre was dan ook nog eens veel kleiner. Het belangrijkste was dat er op gestemd kon worden. Dat hebben vele luisteraar/ster/s zich geen twee keer laten zeggen. We gaan er geen geheim van maken: extra aansporing heeft daarbij zonder twijfel geholpen. Onder andere de oproep Stem vrouw! op deze blog werd druk gelezen en gedeeld. Het bereik van de Facebookpagina van ‘Vrouw aan de piano’ ging zomaar even maal 25. Deze vrouw aan de piano stond echter niet alleen met haar oproep. Er was ook nog het Facebook-evenement Klara zkt. vriendin.

Niet toevallig zijn het dan ook de gepromote werken van deze twee oproepen die het gehaald hebben: 

Francesca Caccini: aangename kennismaking.

Eén luisteraar uitte zijn ongeloof dat een ‘onbekend’ werk als dat van Francesca Caccini uit het niets zo hoog kon scoren. Inderdaad, wat een extra zetje kan doen. Zelfs ik kende dit werk, dat naar voren geschoven was door ‘Klara zkt. vriendin’, niet. Maar het was een heel aangename kennismaking, waarvoor dank! Geen discussie: Caccini heeft die 36ste plaats zeker verdiend. Smaken kunnen verschillen, maar geen van de werken die in de keuzelijst van Klara stonden, ook niet die van de vrouwelijke componistes, was ‘minderwaardig’.

Van onbekend naar bemind 

Onbekend zijn ze waarschijnlijk voor velen wel. En onbekend is onbemind. Maar wat niet bekend is, kan bekend worden. En dus ook bemind. Geen beter werk dan het nummer één van dit jaar om dat te illustreren. Zelf leerde ik al lang geleden de pareltjes van Arvo Pärt kennen. Als ik me goed herinner, hoorde ik hem voor het eerst in de vroege jaren negentig op een verzamel-cd van ECM New Series met allerlei ‘onbekende’ componisten – een van mijn allereerste schijfjes dat ik toevallig op de kop getikt had via een cd-actie van De Morgen en waar ik úren naar geluisterd heb.

Arvo Pärt: op zoek naar verstilling?
Arvo Pärt: op zoek naar troost en verstilling?

Ik vraag me echter af hoeveel mensen Spiegel im Spiegel van Arvo Pärt al kenden toen Klara enkele jaren geleden met zijn top begon. Toch is deze compositie uit 1978 jaar na jaar geklommen in de rangschikking. Deze keer scoorde Pärt zelfs met drie werken. Sander De Keere probeerde eerder al te verklaren ‘waarom (bijna) iedereen gek is van Arvo Pärt’. ‘Eenvoud en mystiek’, daar ligt volgens de Klara-presentator de sleutel van het succes van de Est.

Ook musicoloog Pieter Bergé (KU Leuven) stelde in een opiniebijdrage in De Standaard vast dat meditatieve muziek dit jaar bijzonder populair was. De Top 100 weerspiegelde volgens hem, zeker in deze beroerde tijden, een ‘verlangen naar traagheid, naar troost en verstilling’.  

Als dat een valabele verklaring kan zijn, dan past het Lasciatemi qui solo (‘Laat me hier alleen’) helemaal in dat plaatje én is er mogelijk nog een mooie toekomst weggelegd voor deze ‘onbekende’ aria uit Il primo libro delle musiche (1618), een bundel van 36 sololiederen en duetten van de Italiaanse componiste, zangeres en dichteres Francesca Caccini.

Koudwatervrees hoeft niet meer

Eén belangrijke voorwaarde echter: het werk mag niet meer van de radar verdwijnen. We moeten het herhaaldelijk te horen krijgen. En dat geldt voor nog voor zoveel meer mooie werken van vrouwelijke componistes.

Klara levert daar de jongste jaren al behoorlijk wat inspanningen voor – ik durf zelfs te geloven dat mijn boek Vrouw aan de piano hen daarbij aangemoedigd heeft. Maar alles kan beter, ook wat de concertorganisatoren en uitvoerders betreft. Koudwatervrees hoeven ze zeker niet meer te hebben. Toen ik vijf jaar geleden mijn boek schreef, wees een programmatrice me nog op een ellendige vicieuze cirkel: het publiek zit niet te wachten op ‘onbekend’ werk van vrouwelijke componistes, bijgevolg willen musici en verantwoordelijken voor de programma’s er hun broek niet aan scheuren, waardoor het publiek de werken niet leert kennen, waardoor er geen interesse is, waardoor – enzovoort. 

Als de jongste Klara-top nu één ding bewezen heeft, is het toch wel dat luisteraar/ster/s er wél voor openstaan. Of ze in hun keuze nu ‘gemanipuleerd’ zijn of niet, doet er niet toe. Er is een honger naar vernieuwing tout court, zo blijkt ook uit het opmerkelijk hoge aantal verschuivingen in de jongste editie. Mensen staan open voor ontdekkingen. 

Twee verzoekjes

Het goede nieuws is: er ís ook nog zeer veel moois dat ontdekt kan worden. Niet alleen bij vrouwelijke componistes trouwens, ook bij hun mannelijke collega’s. En daarom vind ik de ‘twee verzoekjes’ van Pieter Bergé aan Klara wel iets hebben. Tot besluit van zijn opiniestuk schrijft hij: ‘Willen jullie ook eens een lijst (laten) maken van de honderd beste onbekende werken? En dan misschien meteen ook maar een onvervalste vrouwen-top-vijftig, die niet tersluiks maar frontaal de veronachtzaming van vrouwelijke componisten te lijf gaat. De ‘Clara Top 50’.’

Principieel hou ik er niet van dat vrouwen stelselmatig apart zouden worden gezet: nu gaan we even aandacht besteden aan die excuustruusjes, om ons ‘quotum’ te halen. Uiteindelijk zou de vertegenwoordiging van vrouwen geen onderwerp van gesprek mogen zijn. Want ‘alleen de muziek telt, niet het geslacht’, zoals Eliane Rodrigues me voorhield bij onze babbel voor mijn boek. Maar zover zijn we helaas nog lang niet. Vrouwelijke componistes zijn te lang veronachtzaamd. En die achterstand in publieke belangstelling zal zonder positieve actie niet snel goedgemaakt worden. Daarvoor hebben ze dus de hulp nodig van muzieksamenstelsters en -stellers op de radio, in de concertzalen en bij de musici. Als een ‘Clara Top 50’ daarbij kan helpen, laat maar komen.

Al hoeft een rangschikking daarbij geenszins. Gewoon 50, of wat minder of wat meer. Als ze maar eens expliciet voor het voetlicht gebracht worden. En graag ook met hun boeiende levensverhalen erbij. Zoals France Musique doet met Musicopolis, een dagelijkse reeks portretten waarbij ook vrouwelijke componistes opvallend vaak aan bod komen. Of zoals de documentaire film Komponistinnen van de Duitse pianiste Kyra Steckeweh. Of zoals de recente podcast Muziek is een vrouwelijke woord van NPO4. 

Wedden dat een extra oproep ‘Stem vrouw!’ voor de volgende Klara Top 100 dan niet meer nodig is? 


PS. Nadat mijn boek verschenen was, kreeg ik prompt het voorstel van een Nederlandse documentairemaakster om samen met haar het spoor van enkele componistes te volgen. De aanzet tot scenario was snel klaar, de interesse was er. Maar geldschieters hadden koudwatervrees.

Lees meer notities

Krijg updates in uw mailbox



Volgende »